Wat maakt het zo bijzonder? Vooral omdat deze biografie de mens achter de theoloog laat zien. Ik las ooit de belangrijkste werken van Miskotte. Hij komt daarin over als een man die zeker van zijn zaak is en anderen met rijkdom van taal de weg wijst. Maar achter de schermen bleek hij een wankelmoedig mens.

Hij hing de ruif hoog – voor anderen, maar ook voor zichzelf. Met een ongebreidelde werkkracht veranderde hij de hoofdstroom van de theologie in Nederland. Al vanaf zijn eerste gemeente in Kortgene toont hij zich een ambitieus mens. Maar ook dan wordt al duidelijk dat hij voor velen te moeilijk is. Die kritiek brengt hem van zijn stuk, maar hij kan en wil geen andere kant op.

Zijn biograaf verhult niet dat Miskotte zijn egocentrische kanten had. Hij gaat zo op in zijn werk dat zijn huwelijk met Cornelia eronder lijdt. Er brandt in hem een vuur waaraan zij zich zal schroeien. Als zij later op nog jonge leeftijd overlijdt, wordt hij overstelpt door schuldgevoelens.

Vóór de schermen gaat Miskotte steeds meer de toon van de theologie bepalen. Zijn drie hoofdwerken (‘Wezen der Joodsche religie’, ‘Edda en Thora’, ‘Als de goden zwijgen’) zijn baanbrekend. Als er iemand het jodendom in de theologie de plek heeft gegeven die het toekomt, is hij het. Bovendien was hij een van de eersten die waarschuwde tegen het nazisme.

Hij was ook de theoloog die al vroeg het belang inzag van het werk van Karl Barth. Hij werd in Nederland diens onvermoeibare pleitbezorger. Toch werd hij ondanks de bewondering van deze kerkvader van de 20ste eeuw nooit een kritiekloze adept. Hij ‘vertaalde’ Barths werk op zo’n manier dat hij misschien niet zo groot werd als deze reus in de theologie, maar wel een theoloog met eigen statuur.

Achter de schermen bleef Miskotte een onzeker man, die vanuit een minderwaardigheidscomplex zich wilde bewijzen. Dat hij te strijden had met perioden van diepe depressiviteit en rouw (behalve zijn vrouw verloor hij ook in dezelfde week zijn dochter) maakt mijn bewondering voor zijn werkkracht en originaliteit alleen maar groter.

In de laatste jaren van zijn leven doofde zijn geest. Ik wist dat al. In mijn studententijd zouden we met een groepje studenten bij hem op bezoek gaan in Voorst. De afspraak werd kort daarvoor afgezegd. De meester bleek vanwege de dementie niet meer in staat om een gesprek aan te gaan.

Nu ik deze met vaart geschreven biografie gelezen heb, roept zijn werk me uit de boekenkast toe: ‘Lees ons opnieuw! Lees ons opnieuw!’