Ik heb het de afgelopen weken opnieuw herlezen. En nog
steeds zijn er zinnen of alinea’s die als bliksemschichten een duistere wereld
ineens op doen lichten. Buber verwoordt wat bij mij vaak op de drempel van de
taal blijft steken, maar wat ik intuïtief al wist of vermoedde.

Maar het boek voert mij vooral terug naar wat naar mijn diepste ervaring de kern is van leven en geloof. Het is dit: dat het leven relatie is. Er is geen ‘ik’ op zichzelf. De mens is aangelegd op een J/jij. Nu kan elk ‘jij’ een ‘het’ worden. Zodra ik ophoud om mét jou te spreken, kan ik óver jou spreken of denken. Je bent object geworden. Een ‘het’. En het lijkt wel alsof wij steeds meer leven in een Ik-Het-verhouding dan in een Ik-Jij-verhouding. De wereld wordt technischer en anoniemer.

Maar – en dit is voor mij het allerbelangrijkste inzicht van Buber - er is één ‘jij’ dat nooit een ‘het’ kan worden. Dat is het Eeuwige Jij. God kan alleen als ‘jij’ gekend worden. Wie óver God spreekt, is hem al kwijt. Nu is deze laatste zin al een rare paradox: ze verwijst beschrijvend naar een werkelijkheid die er volgens diezelfde beschrijving dan niet meer kan zijn. Bent u er nog?

Misschien helpt Toon Hermans. Hij geldt niet als een groot poëet of denker. Maar zo gek was Hermans niet. Lees het versje ‘Van binnen’ maar:

soms voel ik diep van binnen iets van God
ik wou dat ik die dingen op kon schrijven
maar als ’t naar buiten komt is het kapot
die dingen kunnen beter binnen blijven

Woorden óver God maken al snel het Geheim kapot waar ze nu
juist naar willen verwijzen. Het is daarom dat ik een haat-liefde-verhouding
heb met veel theologie (God-talk). Het is daarom ook dat ik preken vaak zo
moeilijk vind. En daarom spreek ik ook in het algemeen niet zoveel over God. Maar
aan de andere kant: zonder woorden gaat het niet.

Buber vindt tastend woorden voor het Geheim die het tegelijk in tact laten. Toen ik zijn boek deze week uitlas, kon het laatste gedeelte alleen in kleine stukjes lezen (ik onderging vorige week namelijk een netvliesoperatie). Maar juist dan kunnen woorden dieper gepeild worden. Ik was opnieuw vol ontzag. Wat een eerbied! Wat een wijsheid! Wat een diepte!

En opnieuw bliksemde het voor mijn herstellend oog. En in
wat oplichtte, zag ik dat wat God was – een tegenwoordigheid waarvoor wijzen en dichters het best de
woorden vinden:

Systeem! Lijf dat op niets gelijkt,
Aard van ons hier en nu,
ik voel mij diep door U bereikt
en als daardoor mijn tijd verstrijkt
ben ik nog meer van U.
(Leo Vroman)

God, wat knapte ik daarvan op!