De essays, die in het afgelopen coronajaar werden geschreven, hebben één duidelijke spits: verontwaardiging over de achteloze manier waarop wij leven. De verontwaardiging van Nasr richt zich aanvankelijk op de wappies die als verwende kinderen hysterisch tekeer gaan: hun verzet noemt hij ‘oorlogje spelen voor lafaards’. En passant krijgen ook veeboeren die hun kinderen Jodensterren opspelden, een beurt.
Opeens realiseer je je als lezer weer hoe krankzinnig het afgelopen jaar was. Nederland werd na de aanvankelijke eendracht (die Nasr ingaf om met Dodenherdenking thuis in zijn eentje staande het 'Wilhelmus' te zingen!) ‘een giftig gebied’, zoals de titel van het tweede essay heet - Nasr noemt de dingen graag bij de naam. Maar daarmee is hij niet klaar. De wappies en protesterende boeren mogen dan extremisten zijn, de ware extremisten zitten wat Nasr betreft aan de andere kant: de multinationals die gesteund door een bedrijfsmatig regerende overheid de fundamenten van onze samenleving hebben ondergraven.
Die fundamenten zijn de zorg, het onderwijs en de cultuur. Ze zijn alle ondergeschikt gemaakt aan het rendementsdenken dat heel onze samenleving doortrekt. Dat is de ware reden van de achteloosheid waarmee wij leven. ‘Wij’ ja, want Nasr spaart ook zichzelf en andere ‘middenmoters’ niet. We hebben best een bereidheid om duurzamer te leven, maar we stemmen op partijen die verandering met man en macht tegenhouden. ‘We bezitten zelf een januskop.’
Het sterke van deze essays is niet alleen de scherpe analyse van de bestaande situatie; Nasr wijst ook wegen naar verandering. Weleens van ‘capabiliteiten’ gehoord? Nasr wel, en legt het uit: ze vormen basisvoorwaarden voor geluk en welvaart, die op elke plek ter wereld anders kunnen worden ingevuld. Een heel andere benadering van de economie dan die van de beursgenoteerde bedrijven!
Maar het allerbelangrijkste van zijn betoog is de noodzaak van het besef dat we deel zijn van een groter geheel. Dat is op zich niet nieuw. Maar Nasr koppelt dat aan interessante gedachten die ontspringen aan de kunst. Het zijn met name Boccaccio, Van Gogh en Rilke die hem hier de weg wijzen. De laatste laat hem zelfs zien dat wij mensen misschien wel afgezonderd zijn van de dingen, maar niet uitgezonderd: ‘Wij zijn niet de enigen die kijken: de wereld ziet ons.’
Interessante gedachte! Maar op dit punt gekomen, had het de schrijver niet misstaan zoiets als spiritualiteit in te brengen. Ik lees op dit moment een boek over een Ierse dichter getiteld ‘The Mystical Imagination of Patrick Kavanagh’. In het werk van deze Ierse dichter speelt uitgerekend dat ‘terug kijken’ van de dingen een rol: ‘We find the poet, awkwardly wrapt in wonder, dumbstruck in the presence of an unearthly power staring at him from the fields and hedges.’
Kavanagh stond daarin niet alleen, maar was erfgenaam van een oude, christelijke traditie, die in zijn geval terugging op Keltische wortels, maar die ook in Nederland wordt gekend. Bijvoorbeeld door de dichter C.O. Jellema die in ‘Zeegezicht’ schrijft over een babykrabje op de palm van zijn hand: ‘Nu is het of wij, samen onder aan de dijk, / worden gezien., terwijl het water stijgt / en in doorschijning spiegelt hoe de hemel kleurt.
Nasr doet een overtuigend appel om terug te keren naar de fundamenten van onze cultuur. Maar ik mis onder de besproken fundamenten de cultus: de oorsprong van alle cultuur. Het grote geheel waar Nasr op wijst, bespeurden wij eens in het landschap op de zogeheten ‘thin places’: plekken die transparant waren tot op een Geheim dat ons leek aan te kijken en - ja toch - ook aan te spreken: ‘Adam, waar ben je?’ Misschien is de belangrijkste oorzaak van de misvorming van onze cultuur dat we die stem gesmoord hebben: we willen het nu zelf voor het zeggen hebben.
Dat Nasr zelf het grote geheel vooral zoekt in de evolutie, is mij dan ook iets te schraal. Maar voor het overige vindt hij mij aan zijn zijde. Wat een visie! Wat een schrijver! Ik las nog geen boek dat de urgentie van de huidige coronacrisis zo indringend onder woorden bracht – ook niet van religieuze zijde.


