Halík kreeg pas op latere leeftijd naam - zeker buiten Tsjechië, het land waar hij
werd geboren. Maar dat had alles te maken met het ondergrondse bestaan dat hij
leidde tijdens de communistische overheersing. Een groot deel van zijn leven
bestond uit ‘In het geheim geloven’, zoals de mooie en dubbelzinnige titel van
het boek luidt.

Halík werd overigens niet in een zeer religieus gezin geboren. Het geloof ging pas gaandeweg een rol voor hem spelen. Een zekere afzondering van leeftijdgenoten speelde daarbij een eerste rol. Maar het was een klasgenoot die hem wees op een priester die geweldige preken hield. Zijn bekering begon daar en hij vergelijkt haar met een zonsopgang: zoals de zon laat alles anders zien dan de nacht.

Het boek beschrijft uitvoerig de weg die leidde naar het
(geheime!) priesterschap. Lange tijd was niet eens voor zijn familie duidelijk
dat Halík had gekozen voor dit bijzondere ambt. Het was de tijd dat er een
ijzeren regime heerste. Maar ook de tijd dat de dissidente beweging op gang
kwam waarvan Václav Havel de belangrijkste exponent was.

Havel en Halík werden goede bekenden van elkaar. Er zou zelfs een moment aanbreken waarop Havel, die toen de eerste president van het vrije Tsjechoslowakije was, de mogelijkheid opperde dat Halík zijn opvolger zou kunnen worden. Maar dan zijn we al een stuk verder in de geschiedenis. Het zou bovendien niet doorgaan.

Binnen de kerk klom Halík wel op tot een vooraanstaande
positie. Hij werd vertrouweling van de beroemd geworden bisschop Tomášek, die
een belangrijke rol zou spelen bij de Fluwelen Revolutie van 1989. Toch
betekende de kerk en met name de theologie voor Halík geen veilige schoot. In
een opzienbarend hoofdstuk met de titel ‘Nachtervaring’ vertelt hij dat hij op de theologische
faculteit in Litoměřice, waar hij een positie had gekregen, werd tegengewerkt
en tenslotte zelfs geschorst. Het stortte hem in een diepe depressie.

In hoeverre een autobiografie altijd een eerlijk beeld van
iemand leven geeft, blijft altijd de vraag. Maar Halík belicht openhartig zijn
eigen tekortkomingen en de diepe somberheid waarin hij terechtkwam. Maar hij
laat ook zien dat de kerk ook onbarmhartig kan zijn.

Maar zijn schorsing bleek een ‘blessing in disguise’: hij
vond elders werk en dat bleek de springplank tot wereldwijde bekendheid middels
zijn boeken (die hij voor een merendeel schreef in retraite in Duitsland). Halík
vertelt uitgebreid wat hem in die boeken drijft.

Het meest indrukwekkend vond ik, naast het hoofdstuk over
zijn depressie, het verhaal over zijn verblijf op Antarctica. Hij is er met een
poolonderzoeker, helpt in de oorverdovende stilte mee aan het onderzoek en gaat
ook nog eens een woeste zee op, wat zorgt voor nachtmerrieachtige toestanden. Halík
laat zien hoe dit alles leidt naar een diep spiritueel inzicht van het geheim
waarin hij gelooft.

Ik heb genoten van dit boek. Het is hier en daar wat al te
wijdlopig (vooral als Halík vertelt over zijn wereldreizen), ik vind het ook
wat aan de prijzige kant, maar kenners van Halík’s werk biedt het een
verrijkend perspectief op zijn boeken. En wie zijn boeken nog niet kent, zal
door de autobiografie van deze spirituele duizendpoot (hij is behalve priester
ook psychotherapeut, socioloog en filosoof!) zeker nieuwsgierig worden naar
zijn andere werk.