De film vertelt het verhaal van een jongen genaamd J.D., die
opgroeit in een kansarm milieu op het platteland van Ohio. Zijn moeder heeft
losse handjes en worstelt met een drugprobleem. J.D. wordt ook nog eens gepest
(o.a. met zijn gewicht). Ingrediënten voor een gemakkelijke tranentrekker, zou
je zeggen. Maar de makers en vooral de acteurs zorgen ervoor dat het nergens
goedkoop wordt.
Laat ik maar meteen de actrices noemen die het meest indruk
maken: Amy Adams die de moeder speelt, en Glenn Close. Deze laatste speelt de
oma die - als J.D. dertien jaar is - ingrijpt en de jongen bij zich in huis
neemt. Je herkent Close aanvankelijk niet, zozeer gaat zij op in de rol van
bitse grootmoeder!
Het bijzondere van de film is dat er voortdurend geschakeld
wordt tussen de 13-jarige J.D. en de 27-jarige jongeman die hij geworden is.
Want hij zal goed eindigen: op de universiteit. Hij heeft zich aan het
hillbilly/boerenkinkel-milieu onttrokken. Maar zelfs dan blijkt zijn afkomst en
verleden een rol van betekenis te spelen. Juist als hij op het punt staat een
belangrijke wissel in zijn leven te nemen, wordt er een beroep op hem gedaan.
Met opzet houd ik het zo vaag, omdat je zelf maar moet
kijken. Maar het is beslist een aanrader. Ook omdat het een autobiografisch
verhaal is. De film is gebaseerd op de levensgeschiedenis van J.D. Vance. Hij
wist via de militaire dienst en de universiteit een ander leven op te bouwen. Hij
schreef er een bestseller over met de gelijknamige titel.
Een film over de grootheid én de nederlagen van liefde, over armoede en de wil om iets van je leven te maken. ‘Mooie film,’ zuchtten mijn geliefde en ik na afloop. Er is niks mis met feelgood, zeker niet in deze coronatijden.