De centrale stelling van Sloterdijks boek is dat religie een
vorm van dichtkunst is. Vanaf de oorsprong is zij verweven met poëzie. Hij start
zijn betoog bij de theologeion, beter bekend als de deus ex machina:
het toneelattribuut waarop in het Griekse theater de goden vanuit de hoge
sprekende ten tonele gevoerd werden.
Al snel in de geschiedenis maakte de deus ex machina plaats
voor de deus ex cathedra. De boosdoener was Plato die de dichtkunst
wantrouwde en zorgde voor een breuk tussen de poëzie en de waarheid. De laatste
was in zijn ogen veiliger bij de filosofie. Onder Plato’s invloed ontstond ook de
christelijke dogmatiek: een filosofische theologie die Sloterdijk rangschikt
onder een ‘tweederangs-poëzie’ waarin de rationaliteit het voor het zeggen
krijgt. Net als andere religies gaat ook het christendom alles doen om een
vergelijking met mythen en culten van andere religies uit de weg te gaan. Die
worden als fictie bestempeld, terwijl de eigen religie buiten schot blijft.
‘Spirituele unfairness’ noemt de schrijver dit.
De diepste breuk met de theopoëtische oorsprong van de
religieuze traditie wordt in Sloterdijks ogen voltrokken door Karl Barth, de
Zwitserse theoloog, die zijn werk grondde op het begrip ‘openbaring’. Maar
Sloterdijk rekent daar snel mee af: hij vindt het een theologisme - een kunstje
om zichzelf gelijk te geven. Citaat: ‘Als Barth op grote hoogte vastloopt –
of beter gezegd: als hij in een theologistische vrijloop terechtkomt, die in
een misplaatste uitvoerigheid teksten voortbrengt die geen kennis meer
opleveren – komt dat doordat hij van de herkomstruimte van de dichtkunst en van
de wereldvormende prestaties van talloze rusteloze zielen een te lage dunk
heeft.’
Daarmee eindigt het eerste deel. Het tweede deel begint met een bezwering dat religie, verstaan als een vorm van dichtkunst, voor hem zeker niet betekent dat zij slechts opsmuk is van een prozaïsch leven dat zich zonder ook wel weet te redden. Maar wat het surplus van religie dan is, daar zal hij pas na een uitgebreid tweede deel aan toekomen. Eerst laat hij zien wat er terechtkomt van het lang heersende idee dat religie zorgt voor sociale cohesie, en bespreekt hij verschillende soorten poëzie waarin religie zich kan hullen (poëzie van het geduld: denk aan Job, de poëzie van de overdrijving: denk aan Pinksterachtige gemeenschappen) om vervolgens via een bespreking van het dwingende gebruik van het begrip kerygma te eindigen bij de hedendaagse poëzie waarin het verlangen naar het goddelijke een wezenlijke rol gaat spelen.
In deze poëzie staat het zoeken voorop dat niet meer tot vinden gedwongen wordt. Dat – en hier ligt het punt waar Sloterdijk uitkomt – vormt de bevrijding die religie zelf ondergaat. Ze wordt bevrijd van het dwangmatige ‘moeten’. Ze is door de Verlichting verlost van al haar sociale en rationele functies en kan haar verwantschap tonen met kunst en filosofie. Wat overblijft is dit: religies zijn 'stijlen van het ontzagwekkende'. En dat ontzagwekkende bestaat, aldus Sloterdijk. Religies bieden dan ook hulp bij de uitleg van het bestaan ‘tot opheldering van het onbeschikbare en domesticatie van het ontzagwekkende aan toe’.
Ik was erg onder de indruk van de duizelingwekkende belezenheid (welke doorsneetheoloog kent het werk van Sint Efraïm?) en de grootse stijl van schrijven van Sloterdijk. Hij is inderdaad zoals eerder gezegd hier en daar moeilijk te volgen, maar van een puzzel - zoals ik vaak andere filosofenwerken ervaar - is hier geen sprake. Bovendien sluit zijn thema aan bij een belangrijke recente stroming binnen de theologie die óók de dichtkunst ziet als het wezenlijke taaleigen van religie (kijk eens op https://artsreligionculture.org).
Kritiek heb ik wel op de ronduit stuitende wijze waarop Sloterdijk de joods-Franse filosoof Levinas wegzet. Hij bespreekt hem in het hoofdstuk over het dwingende kerygma dat religie gaat kenmerken. Hij kenschetst Levinas daarin neerbuigend als ‘eerder een rabbijn dan als filosofisch denker’ en ziet diens nadruk op het appel dat van de naaste uitgaat als een tot schuldbewustzijn dwingende leer van de erfzonde. Als de AfD (zie inleiding) ergens brandstof aan kan ontlenen, dan aan de passage die Sloterdijk wijdt aan Levinas. Of leg ik hier teveel in, beïnvloed door de recente berichten? Hoe dan ook, hier zit meteen ook de angel van Sloterdijks visie: de maatschappijkritische functie van religie verdwijnt bij hem achter de voordeur.
Maar mijn belangrijkste vragen liggen bij het volgende. Hoewel het woord ‘theopoëzie’ het leidend begrip is in dit boek, besteedt Sloterdijk weinig aandacht aan wat poëzie dan is. Ook laat hij niet zien wat de poëzie van religie is. Hij lijkt die enerzijds gelijk te stellen met fictie, terwijl hij anderzijds wel beweert dat het ontzagwekkende, waarnaar zij verwijst, bestaat. Wat is het kenmerkende van de dichtkunst? En wat is het waarheidsgehalte van religie als poëzie? Die vragen laat hij liggen.


