Dit jaar verscheen ‘Het vlindereffect’, de Nederlandse vertaling van een boek van Mahmoud Darwish (1941-2008), een van de belangrijkste Palestijnse, literaire stemmen. Er werden al eerder Nederlandse vertalingen van hem uitgebracht.

‘Bladzijden uit een dagboek, geschreven tussen zomer 2006 en zomer 2007’ luidt de ondertitel van het boek. Dat maakt meteen duidelijk dat dit geen poëziebundel pur sang is. Veel bladzijden zijn, wat ik zou willen noemen, dromerige gedachten. Ze zijn soms moeilijk te volgen.

Zijn ze bedoeld als prozagedichten? Hoe dan ook, je moet deze prozastukken soms lezen en herlezen om er een betekenis aan te ontfutselen. Maar dan weer is er een fragment dat toegankelijker is. Dat geldt ook voor de gedichten die de prozastukken afwisselen.

Opvallend is dat het maar spaarzaam gaat over het conflict tussen Israël en de Palestijnen. We horen over jonge meisjes, over stilte (‘De stilte is een geluid dat is verdampt en zich in de wind heeft verborgen’), transcendentie (‘Als iemand die een verborgen openbaring hoort, luister ik aandachtig naar het geluid van de bladeren van de zomerse bomen’), spelen met zeepsop, poëzie (‘Alle mooie poëzie is een daad van verzet’) of over ballingschap (zijn leven in Parijs).

Bij de laatste twee voorbeelden komt het conflict wel om de hoek kijken. Maar pas in andere fragmenten wordt het expliciet. In ‘Schandelijk land’ bijvoorbeeld:


Het is een smal land, dat niet voldoende ruimte biedt […] voor een hal die groot genoeg is voor vergaderaars die een uitvoerig plan voor leugenachtige vrede willen borduren.

In ‘Alsof hij sliep’ gaat het over een dag waarop de nieuwsberichten géén nieuwe doden melden: een uitzondering. In ‘Vijgencactussen’ horen hoe de planten als bewakers van markeringen waren, maar niet in staat waren de wapens van een moordlustig leger tegen te houden.

‘De terugkeer van juni’ gaat, denk ik, over de bezetting van de Westbank (juni 1967):


Veertig juni’s hier. Steeds minder grond, terwijl het aantal bewoners toeneemt, ruim voldoende om in de behoefte van gras van hongerlijders te voorzien, en in de behoefte van Asjkenazi’s aan Arabische arbeid.

Zo krijgt het lijden van de Palestijnen toch voluit een stem in deze bundel. Dat Darwisj daarnaast andere thema’s aanslaat is ook een les: een volk is meer dan het conflict. En de ware kunst laat zich niet beperken tot een politiek of ideologisch strijdmiddel. Maar waar in deze bundel de onderdrukking in beeld wordt gebracht, snijdt het door de ziel. Bijvoorbeeld in het openingsgedicht ‘Het meisje/de schreeuw’. Op het strand staat een meisje. Plots worden passanten op het strand vanuit zee beschoten. Het meisje roept: ‘Papa, papa, sta op, we gaan naar huis.’ Maar haar vader is getroffen.


Haar stem voert me mee, hoger en verder
dan het strand. Ze schreeuwt over een nachtelijk land,
een echo zonder echo,
zodat ze de eeuwige schreeuw wordt
in het ingelaste nieuws, dat al geen ingelast nieuws meer is
als de vliegtuigen terugkomen
om een huis met twee ramen en een deur te vernietigen.