ANTON VAN WILDERODE (1918-1998)
Gebed
Gij kent mijn dood al, God – laat mij niet weten
waar hij mij vinden en verrassen zal,
laat mij nog rustig ademen en eten,
laat mij nog slapen en de dag vergeten
die met zijn zorg mij morgen overvalt.
Want er ligt water meterdiep te zwijgen
tussen de huizen waar de herfst begint,
en ieder ogenblik, dat ik moet krijgen
genadig uit uw hand, kan mij bedreigen
en iedere kiem van ziekte zaait zich blind.
Hoe sterk mijn hart is, God, voor een lang leven,
hoe sterk de ader die mijn bloedstroom tilt,
of mijn verstand niet voortijds zal begeven,
voor ik het laatste blad heb volgeschreven :
Gij weet het, God, maar zwijg, om mijnentwil.
Soms loop ik van een vreemde wind bewogen
tussen de lichamen der mensen door
gelijk een kind met ingeslapen ogen :
ik stoot mij niet, val niet, word niet bedrogen
omdat ik U binnen mijzelven hoor.
Blijf Gij daar, God, blijf Gij, terwijl mijn voeten
geduldig en gehoorzaam op hun reis,
terwijl mijn handen maken wat zij moeten,
terwijl ik lachen zal, lezen en groeten –
tot in het paradijs.
(Uit: Gedichten 1976)
Uitleggen waarom een gedicht (of muziek of een schilderij) je treft, is zoiets als 'dansen op architectuur' (ik hoorde de vergelijking uit de mond van een muziekrecensent) : het ene medium kan niet of nauwelijks in het andere vertaald worden. Maar in dit geval kost me het geen mooite. Wat mij trof was de spanning tussen je bewust zijn van je eindigheid enerzijds en de bijna kinderlijk onbevangen levenslust anderzijds.
God kijkt enerzijds van buiten tegen het leven van mensen aan ('Gij kent mijn dood al, God'). Maar de dichter kent God ook anders. Je ziet het in de vierde strofe. Daar kom je die genoemde kinderlijke onbevangenheid tegen. Onbewust van dreigende vergankelijkheid loopt hij als een kind argeloos door de wereld. Het is veilig 'omdat ik U binnen mijzelve hoor.'


