Er staat nog volop sla. De boerenkool groeit goed. Maar de meeste bedden staan nu leeg. De allerlaatste bonen zijn geplukt. De cherrytomatenplanten heb ik vanmorgen uit de grond gehaald. De laatste rode bieten zijn geoogst. De pompoenen liggen klaar voor de soep. Het zal winter worden. De verdorrende zonnebloemen zijn een laatste groet van een prachtige zomer.

De afgelopen maanden hebben we bijna elke dag van de tuin gegeten. Bloemkool, rode kool, andijvie, verschillende soorten bonen en sla, bietjes, snijbiet, postelein, worteltjes, aardbeien, tomaten, courgettes, komkommers, paprika’s, basilicum, peterselie – mijn paradijsje van 140 m2 heeft veel opgeleverd. Er waren weken bij dat er in de vrieskist geen ruimte meer was. Weggeven dan maar, ook leuk! En dan waren er nog de bloemen. De hele zomer kon ik plukken.

Maar het belangrijkste wat het opleverde: voldoening. De stilte, het beschutte plekje onder aan de dijk, het weidse uitzicht over de landerijen, de overtrekkende ganzen, de jagende valken, en te midden van dat alles: de gewassen die op hun eigen wijze en tijd opkwamen – er wordt weleens gezegd dat tuinen helend is, maar het klopt.

Er kon een kant in mij naar boven komen die kennelijk lang niet of onvoldoende aan bod kwam. Het buiten zijn onder een hoge hemel. Dingen met je handen doen. Maar vooral: deel worden van groei en bloei. En dan nu de rust die intreedt. Het wordt stiller op de tuin. Alles heeft z’n ritme. Ik ga er in mee, terwijl de zonnebloemen zachtjes het seizoen uitwuiven.