In dit boek speelt een oud familiedrama op. Op jonge leeftijd verdronk het broertje van Bakker. Lezers van Bakker wisten dit al. Maar in dit deel speelt het ineens met grote kracht op. Tijdens een lezing in Istanboel vraagt iemand of Bakker in God gelooft. ‘Nee,’ antwoordt hij meteen, maar begint te praten over zijn broertje en zegt: ‘If anything, there is my God.’ Om vervolgens – tot zijn eigen verbazing – te breken. ‘Alsof ik toen helemaal niets verwerkt heb.’

Je zou denken dat dit onverwerkte verdriet vervolgens de rode draad in het boek gaat vormen. Maar dat is niet het geval. We horen vooral over het kabbelende leven van de schrijver met de uit het eerdere werk bekende elementen. Het leven in zijn huis in de Eifel. Met de bezoekers en de buren. De lezingen die hij in het buitenland geeft. De terugkerende verblijven in Amsterdam waar hij nog een huis heeft en waar hij zijn therapeut of tandarts bezoekt. En niet te vergeten: de bezoeken in de kop van Noord-Holland aan zijn moeder die steeds hulpbehoevender wordt en vergeetachtiger. De titel van het boek ‘Aan mij heb je niets’ is een uitspraak van haar.

Als er al een rode draad in het boek zit dan is het Bakkers bewondering voor de Nederlandse wielrenner Mathieu van der Poel. Hij volgt het nieuws over de wedstrijden van de renner op de voet. Maar verder kabbelt het leven van Bakker een beetje door. We horen natuurlijk over werken in de tuin (Bakker is ook hovenier) en dat hij Stabat Maters spaart. Af en toe reist hij naar Griekenland waar schrijfcursussen plaatsvinden. Allemaal elementen die de kenner van Bakkers werk geen opzien baren maar die heerlijk blijven weglezen.

Het duurt ruim 300 pagina’s tot het verdronken broertje ineens met kracht weer naar voren komt. Al die tijd heeft het onverwerkte verdriet op de achtergrond wel een rol gespeeld. Maar opeens duikt Bakker in de geschiedenis. Zijn er nog nieuwsberichten uit die tijd? Hij gaat in archieven zoeken. Het wordt steeds duidelijker: het verdriet was er al die tijd, maar is naar binnen geslagen:


Ik weet bijna zeker dat ik een andere jongen ben geworden na juni 1969. Een bevroren jongen die nergens heen kon met zijn gevoelens.

We horen hoe er destijds nauwelijks meer over het verlies gesproken werd. Ook niet door Bakkers moeder. Daarmee krijgt de titel ineens een diepe lading. En ook de omslagillustratie (een tekening van Tjerk Bottema van een oud jongensboek uit 1902) ga je steeds meer begrijpen.

Ik vind het knap dat Bakker mij als lezer een driehonderdtal pagina’s ‘aan het lijntje’ wist te houden voordat het thema van het verdronken broertje uit het begin weer terugkeert. De sobere verteltrant, die voor Bakker zo kenmerkend is, bouwde ongemerkt een milde spanningsboog op waardoor het slot juist vanwege die ingehouden stijl ontroerend is. Aan het eind van het boek blijkt dat zijn moeder niet lang meer zal leven. Maar ons wordt geen blik gegund op haar sterven.

Bakker is de meester van het weglaten. Om vervolgens met minimale middelen je in het hart te raken. ‘Ze is een verdomd goeie moeder,’ luidt de slotzin. Waarna je opeens beseft: het boek ging natuurlijk ook over háár bevroren verdriet.