TADEUSZ BOROWSKI
Nacht boven Birkenau
Weer nacht. Weer cirkelt de hemel
grimmig als een gier, als een dier dat zich spant
voor de sprong, over de doodse stilte
van het kamp daalt bleek als een lijk de maan.
En als een in de strijd verloren schild
ligt de blauwe Orion tussen de sterren.
Dof ronkt in het donker een transport
en de ogen van de ovens schitteren.
Drukkend en benauwd. Een slaap als steen.
Geen adem stoot. Een rochelende keel.
De borst gebroken door de zware loden voet
van het zwijgen van de dode drie miljoen.
Nacht, nacht zonder einde. Geen dageraad.
De ogen zijn door slaap vergiftigd.
Als Gods Oordeel over de dodenaarde
daalt de mist neer over Birkenau.
(uit: Memento, Nagelaten vertalingen van Gerard Rasch 2005)
Het is onverdraaglijk om de getuigenissen te lezen van de mensen die in de Duitse kampen hebben gezeten. Primo Levi, Yehiel De-Nur (schrijversnaam: Ka-Tseknik 135633; ik ontmoette hem ooit in 1981 in Israël), Paul Celan, Eli Wiesel – het lezen van hun werk snijdt door je ziel. Ik heb weleens tijden dat ik het laat liggen. Maar dan komt er weer zo’n gedicht voorbij. Het dwingt je tot de confrontatie met het onvoorstelbare.
Alleen al die eerste strofe met die gier en de maan bleek als een lijk. En ‘de zware loden voet van het zwijgen van de dode drie miljoen’. Er gaat een huiveringwekkende dreiging van uit. ‘… de ogen van de ovens schitteren’ – wat een krankzinnige tegenstrijdigheid. Alleen het mooie kan toch schitteren? Toch niet deze gruwel? En dan dat woord ‘dodenaarde’. Ons woordenboek kent het niet. Wel ‘dodenakker’. Maar hier gaat het om een aarde vol doden.
Al maakte Borowski de bevrijding mee, je zou kunnen zeggen dat hij het kamp niet meer heeft overleefd. Een gedicht om stil van te worden.


