martin a veltman
je zei:
het is nog februari
en vogels zingen nu
al smorgens zo uitzinnig
het voorjaar tegen mijn
bedroefd ontwaken aan
dat ik mijn ramen tot
een luistrend antwoord opensla
en neuriënd de dag bestijg
en ik:
jawel jawel
het is nog februari
maar nu al klimt
een vroege lente driftig in de ramen
en zingen vogels najaars doods-
geheimen uit ons hart vandaan
(uit: titelloze bundel 1953)
Je merkt het al: ondanks stormen en regen is er tussen de
buien door al lentelicht. En dan zingen de vogels. Man en vrouw uit bovenstaand
gedicht horen het ook. Het bedroefd ontwaken van de vrouw verandert in een neuriënd
bestijgen van de dag.
Is de beleving van de man vergelijkbaar of tegengesteld? De vroege vogels zingen doodsgeheimen uit ons hart vandaan, zegt hij. Maar wat is ‘vandaan’? Roepen ze doodsgeheimen óp? Het zou zomaar kunnen: de gedichten van Veltman zijn doordrenkt van melancholie, en let op dat ‘nu al’. Of verdrijven de vogels juist de doodsgeheimen? Ik hoop het laatste. Dan is het echt lente.

