JAN VAN NIJLEN
Februari
’t Is morgen. Hoor des hoefsmids staag gehamer,
het zonnelicht betintelt elke ruit;
laat, dichter, laat uw zonneloze kamer:
de lente komt en de eerste merel fluit.
Hoor het geroep, het ratelen der karren,
den beiaard die tokkelend de uren slaat,
en zie het licht! O dichter, wil niet marren,
ga in de stad, zoek schoonheid langs de straat!
O vroege zon, gij pas-ontwaakte, ei!
bestraal het al! Waait eerste lentewinden!
Doorrent de stad langs straat en steeg en lei,
maakt door uw spel van droeven blijgezinden!
Hoor hoe zij fluiten in de zwarte kruin
der populieren boven rode daken!
Het gras wordt lichter, de olmen worden bruin
van bloesemknoppen – zomer gaat ontwaken!
Nu met den gloed der lauwe zonnestralen
de volle kracht uwer liefde groeit,
betracht geen romantieke nachtegalen:
de stad is schoon! De krokus is ontbloeid.
(Uit: Verzamelde gedichten)
Dat ook een verouderd taalgebruik met gemak een gevoel kan
overdragen, bewijst dit gedicht. Alleen al van dat ‘betintelt’ in de tweede
regel maakt mijn hart een huppeltje. Wat een prachtig woord voor wat iedereen
meteen voor zich ziet.
En dan die ‘lentewinden’. Ze wakkeren via dit gedicht mijn
verlangen naar het voorjaar aan. En warempel, je gaat het ondanks felle buien
en herfstvlagen zien en horen: de winter gaat voorbij. De zonnestralen zijn nog
lauw, maar de krokus bloeit en de merel zingt.


