GALWAY KINNELL
Eerste lied
Toen ging het schemeren in Illinois, de kleine jongen
hing na een middag van mest kruien
op het houten hek; het jong was uitgeput,
het huilen nabij. Het werd donkerder
en hij begon de groene kikkers te horen
die allemaal naar hem riepen met wat hun vreugde leek.
Al snel was hun geluid aangenaam voor een jongen
die luisterde in het rokerige schemer en het vallen van de avond
van Illinois, en uit de velden kwamen twee kleine
jongens die maïsstengelviolen droegen
en ze wreven de maïsstengelstrijkstokken in met hars
en de drie zaten daar hun vreugde te krassen.
Het was nu mooie muziek die de kikkers en de jongens
maakten in de groeiende schemering van Illinois
en ondanks pijn in de schouder bracht
het ineengedoken jongenslichaam uit een stengel met liefde
het eerste lied van zijn geluk voort, het donker in, en het lied opende
zijn hart voor het duister en het verdriet van vreugde.
(Uit: Joy, 100 Poems. 2017)
Wat ik al in de inleiding schreef: een wonderlijk gedicht. Het moet wel spelen in een tijd die niet meer de onze is. Centraal staat een jongetje dat de hele dag hard heeft moeten werken op een boerenbedrijf. Hij heeft ‘s avonds nog pijn in de schouder van het mest kruien. Het moet een tijd geweest zijn waarin kinderen nog volop meehielpen in het boerenbedrijf.
Wat het gedicht bijzonder maakt zijn de in elke strofe terugkerende thema’s. Allereerst de plek: Illinois. Dan: het tijdstip van de dag - het vallen van de avond. En het centrale thema: de vreugde. Het oorspronkelijke gedicht laat zelfs elke strofe eindigen met het woord ‘joy’. Jammer dat je dat als vertaler niet voor elkaar kunt krijgen.
Intrigerend zijn die maïsstengelviolen - kennelijk zelfgemaakte instrumenten die een krassend geluid voortbrachten dat wonderlijk harmoniëerde met het gekwaak van de kikkers. Het wordt een lied van vreugde. Het eerste lied van vreugde dat de jongen voortbrengt. Maar wel een lied dat zijn hart opende voor het duister en de pijn van vreugde.
Je kent het misschien ook wel: dat moment in je jeugd waarop je voor het eerst geraakt wordt door een bovennatuurlijke schoonheid die tegelijk pijn doet. Iets ontroert je, maar tegelijk is het een paradox: de ervaring van schoonheid gaat gepaard met het besef dat de schoonheid ook onbereikbaar is, of kwetsbaar of van voorbijgaande aard. Maar nooit werd je dieper bewogen.


