KEVIN HART
Gebed
Toon me de waarheid,
Maar niet in die losse sluiers van de wind,
Of bedekt door de kleine damp van woorden
Die oude leugens opwarmt,
Laat me haar zien
In bloesems als zij bidden op regenzwarte takken
Van kornoelje bij ons in de straat, dat bloemblaadjes-gebed
Van wit en roze
Dat het bloed vertraagt
En de dag zijn glanzende huid laat afpellen
En bijen-engelen dichterbij brengt alleen om te ruiken
Wat gebed is;
Ik wil leven
Als een waterspin boven mijn eigen leven
En opnieuw de maand aanraken toen we verliefd werden
En zijn vlees voelen,
Ik wil vaarwel
Zeggen tegen al het duister in mijn leven
Zoals de kornoelje elk stukje nacht opzuigt
En dan jouw naam zingt:
Geef me die maand
En laat hem het ene grote gebed zijn dat ik adem
Zonder een woord, dat naakt uitvliegt, vurig,
En jou doordringt.
(Uit: Wild Track. New and Selected Poems 2015)
In dit gedicht vraagt de verteller om het zicht op waarheid. Maar niet de waarheid die in woorden verpakt wordt. Woorden zijn vaak niet meer dan wind of damp die oude leugens opwarmen. Nee, hij zoekt de waarheid die zich toont in de zwijgende natuur. Daar vindt hij ook het beeld voor wat gebed is: de witte en roze bloemblaadjes van de kornoelje; de bijen die als engelen er naar toe getrokken worden.
Maar in de vierde stanza verandert het perpectief. De verteller spreekt ineens over 'wij'. Hij verlangt terug naar de maand dat 'wij verliefd werden'. Kon hij die maand nog maar eens over doen. Die maand zou het gebed worden dat hij zou kunnen ademen zonder woorden. Het zou zijn geliefde doordringen.
Waar gaat dit gedicht over? Het is een gebed. Tot God? het woordje 'God' ontbreekt. En toch zit het er ergens in. Maar de waarheid van God laat zich niet in woorden vatten. Het is een geheim dat zich schuil houdt in een zwijgend biddende werkelijkheid waarvan de dichter verlangt er deel van te zijn.
Hier het origineel:
Prayer
Show me the truth,
But not in those loose wrappings of the wind,
Or covered by the little steam of words
That warms old lies,
Show it to me
In blossoms as they pray on rain-black branches
Of dogwood down our street, that petal-prayer
Of white and pink
That slows the blood
And has the day peel off its shining skin
And brings bee angels closer just to smell
Wat prayer is;
I want to live
Like a water spider over my own life
And touch again the month we fell in love
And feel its flesh,
I want to say
Farewell to alle the darkness in my life
As the dogwood soaks up every bit of night
Then sings your name;
Give me that month
And let it be one great prayer I breathe
Without a word, that flies out naked, hot,
And pierces you.

