MARJOLEINE DE VOS
Februari
De keuze, zegt hij, is niet groot, er is verdriet
om bij te blijven, of kies je voor het leven.
Zo makkelijk klinkt hij, lacht moeilijk
en wenst geloof in alle dingen nieuw.
Achter het raam zit het huiselijk leven
onder de lamp bij de hagelslag
luistert slordig naar elkaar en de muziek:
vier jaargetijden, eerste deel. Hoor de lente.
Wat al ruikbaar is moet nog te voorschijn
het kan eenvoudig toegevroren, februari,
verijsde rietpluimen aan metalen water.
Toch doet een steeds vergeten geur geloven
dat het komen zal. De dolle pimpelmees
weet er al van, net als de vlier aan het diepje
dat zich een weg slingert door modderig gras.
Het is zo ver weg, wij zijn zo stram vertederd
het huiverig oog stuit op de kerktoren
in de verte tussen onzichtbaar bezige bomen.
Gehoorzaam halen wij onze adem en
als koolzuur in de Spa zo onbedwingbaar
groeit alles zich een weg naar boven
feestelijk bereid tot bijna niets.
(Uit: Zeehond graag, 2000)
Een man en een vrouw (prachtig verwoord trouwens met ‘het huiselijk
leven’) luisteren slordig naar elkaar. Daar gaat iets niet goed. Wat? Is het de
zwart-wit keuze waar hij haar (of hen beiden?) voor stelt? Het is of-of. Het
ene of het andere. Verdriet of het leven. Je merkt: er speelt veel in dat
huiselijk leven.
Op de achtergrond trilt de lente. Een voorzichtige geur kondigt het aan. De lente is niet het seizoen van of-of. Zeker in de maand februari niet. Het is nog niet ‘alle dingen nieuw’. Er moet nog iets gaan groeien. Is dat de boodschap aan de ‘hij’ in het gedicht? Dat het verdriet tijd nodig heeft om te helen?
