Dit keer iets vooraf. Het is een lang gedicht. Daarom citeer ik alleen het slot. Wie het gedicht in zijn geheel wil lezen, kan het hier vinden.

Voor wie het Bijbelverhaal (Lucas 2, 21-38) niet kent: het vertelt hoe Jozef en Maria kort na de geboorte van Jezus met hun kind naar de tempel gaan. Dat was een religieus voorschrift. Het kind werd als het ware aan God getoond of voorgesteld. Ook werd een offer gebracht. Zo deden ook Maria en Jozef.

Daar wachtte, naast de profetes Anna, een zekere Simeon hen op. Hij had in een visioen te horen gekregen dat hij niet zou sterven voordat hij de Messias met eigen ogen had gezien. De Geest van God had hem ingefluisterd dat nu de tijd was gekomen. Hij was naar de tempel gegaan, had het kind uit Maria’s armen genomen en had God geloofd. Daarna vervolgt het gedicht:

JOSEPH BRODSKY

Simeons lofzang (een fragment)

[...]

De man had gezegd. Hij verwijderde zich.
En zwijgende bleven Maria, gekromd,
en Anna, gebukt onder jaren, hem nazien.
Voortlopend verloor hij aan waarde en lengte

voor 't vrouwenpaar dat in het donker daar stond.
En voortgejaagd haast door haar blikken, liep hij,
in zwijgen gehuld, door de ledige tempel
de gelige gloor tegemoet van de uitgang.

Zijn oudemanstred was bezonnen en ferm.
Alleen toen van achteren Anna haar stem
de tempel doorklonk, hield hij even de pas in:
maar hem was de roep niet bestemd, nee, de Here

werd luide inmiddels door Anna geloofd.
De uitgang kwam nader. Reeds raakte de wind
zijn kleren en voorhoofd, reeds werden zijn oren
bestormd door het koppig gedruis van daarbuiten.

Hij ging naar zijn dood toe. En toen hij de deur
had opengeduwd, liep hij niet het geraas
van straatlawaai in, maar het doofstomme doodsrijk.
Hij liep door de ruimte en voelde geen grond meer,

hij hoorde hoe tijd zijn geluiden verloor.
En Simeons ziel droeg het beeld van het kind,
de stralende krans rond het donzige kruintje,
afdalende over het pad van het doodsrijk,

als fakkel de pikzwarte duisternis in,
waar nimmer tevoren ooit iemand zijn weg
op enige wijze had kunnen verlichten.
De fakkelvlam blaakte. Het pad raakte breder.

(UIt: De herfstkreet van de havik. Een keuze uit de gedichten 1961-1986)

‘Hij ging naar zijn dood toe’ – wat een ontroerende zin. En dan dit: nadat hij het kind Jezus had gezien ging een afdruk van dat beeld met hem mee en verlichtte hem als een fakkel op zijn weg naar het donkere dodenrijk.

Ik ken geen ander gedicht dat de verzoening met de bittere dood zo liefdevol beschrijft als dit gedicht. ‘Het pad raakte breder.’