Auden (1907) groeide op in een Anglicaans milieu, maar verloor als jongeman zijn belangstelling voor religie. Die belangstelling keerde terug toen hij begin dertig was. Het resulteerde in geregelde kerkgang en een grote interesse in theologie, met name die van Augustinus.

Auden was toen inmiddels geëmigreerd naar Amerika en kwam daar in aanraking met de beroemde theoloog Reinhold Niebuhr en diens vrouw Ursula. Niebuhr gold als een kenner van Augustinus en zette Auden op diens spoor. Deze voelde zich diep herkend door het gedachtengoed van de kerkvader.

Schuler laat zien dat veel van die gedachten al in de kiem aanwezig waren bij Auden – ook toen hij nog geen directe belangstelling toonde voor religie. Maar na zijn bekering (Schuler gebruikt dat woord wel, maar niet graag: in het geval van Auden ging het eerder om ‘een proces richting christendom’) werd Augustinus een katalysator voor zijn denken en dichten.

Schuler groepeert die invloed aan de hand van een aantal grote thema’s. De belangrijkste daarvan lijkt mij dat van de fundamentele goedheid van het fysieke en stoffelijke leven. Menigeen denkt: daar had Augustinus toch niet zoveel mee? Hij staat immers bekend als een denker die het lichaam en zeker seks als minderwaardig beschouwde. Maar niets blijkt minder waar. En dus krijgt de lezer en passant ook nog een lesje kerkgeschiedenis cadeau.

Augustinus keerde zich tegen het Manicheïsme: een stroming destijds binnen het christendom die een dualistische leer verkondigde. In dit dualisme gold het stoffelijke leven als minderaardig, het ging om het geestelijke. Augustinus wees dit dualisme af. En dit bevestigde de intuïtie die Auden ook al langer had.

Het kwaad in de wereld moet niet gezocht worden in het stoffelijke, maar eerder in de geest van de mens. Die geest is wel vrij, maar verlamd en angstig. Het kwaad is in de ogen van Augustinus dan ook niet zozeer een ‘iets’ – alsof er in de schepping iets ingebakken zit. Nee, het kwaad is een afwezigheid, een gebrek - een gebrek aan of verstoring van het goede.

Deze gedachten bepaalden het werk van Auden na diens bekering diepgaand, zo laat Schuler zien. Hij toont dat aan de hand van veel gedichten, vooral Auden’s lange gedichten. Zelf een enthousiast lezer van Auden’s werk en op de hoogte van de invloed van Augustinus op Auden, was ik toch verrast over de mate waarin het gedachtegoed van Augustinus het werk van de Engels/Amerikaanse dichter heeft bepaald.

Auden was homo en heeft daar lang mee geworsteld. De spanning tussen Eros (liefde als begeerte) en Agape (de belangeloze liefde) heeft dan ook een groot deel van zijn leven bepaald. En al was Auden van mening dat je ook dit dualisme in het leven moest benaderen met een ‘double-focus’ (je moet de twee met elkaar verenigen), in dit geval is hij daarin niet geslaagd.

Bepalend in dat alles was de relatie die Auden had met Chester Kallman, een jonge Amerikaan die hij kort na aankomst in Amerika ontmoette. De relatie was aanvankelijk onstuimig en Auden had hoop dat dit een ‘huwelijk’ kon worden. Maar Kallman bleek al snel vreemd te gaan en Auden’s droom stortte in. Het zorgde voor een diepe crisis die de dichter naderhand ‘L’Affaire C’ ging noemen.

Het was een understatement voor een diepingrijpende gebeurtenis. Dat is één van de weinige smetjes die ik in het boek van Schuler vond. Want hij spreekt over Auden’s ‘furious and almost violent reaction’ op de ontdekking dat Kallman er andere liefdes op nahield. Maar ‘almost’ is te weinig: Auden is zijn geliefde te lijf gegaan en heeft hem in een vlaag van verstandsverbijstering getracht te wurgen.

Deze afschuwelijke gebeurtenis heeft diepe sporen nagelaten in het zelfbeeld van Auden. Hij noemt haar ergens ook een van de drijvende krachten om terug te keren tot het christendom. Schuler laat dat onderbelicht. Maar dat is slechts een kleine omissie in een verder prettig lezend en evenwichtig boek.

Het meest interessante hoofdstuk vond ik het laatste: over poëzie en waarheid. Auden had geen hoge idealen over poëzie. Ze is slechts een spiegel waarin de kijker zichzelf en de wereld weerkaatst ziet en zich bewust wordt van goed en kwaad. Aan poëzie en kunst in het algemeen kleeft bovendien het gevaar dat zij verliefd kunnen worden op hun eigen beelden en emoties. Ook daarin lijkt hij op Augustinus, die sprak van ‘fantastica fornicatio’: ontucht van de verbeelding.

De poëtische verbeelding was voor Auden dan ook geen vehikel voor religie. Integendeel, in zijn ogen loopt alle menselijke verbeelding stuk op het kruis van Christus. De poëzie is geen medium voor transcendente waarheden; ze weerspiegelt alleen de universele menselijke ervaring. Van christelijke poëzie kon in de ogen van Auden dan ook geen sprake zijn.

Het lijkt mij dat Auden met het begrip ‘verbeelding’ vooral de scheppende verbeelding bedoelde. Zijn collega-dichter Les Murray ziet in de poëzie juist wel een overeenkomst met religie. Religie is in zijn gen een groot gedicht waarin God wordt opgevangen zoals poëzie in een gedicht. Anders gezegd: de verbeelding is niet onze manier om bij God te komen, maar de manier waarop God ons kan bereiken.

Deze gedachte is ook terug te vinden bij de Amerikaanse dichter Christian Wiman die erover schrijft in zijn prachtige ‘My Bright Abyss’ – door sommigen zelfs al een tweede ‘Belijdenissen’ genoemd. Deze andere invulling van het begrip ‘verbeelding’ stelt vragen bij die van Auden – vragen die ik miste bij Schuler.

Maar de schrijver laat overtuigend zien dat Auden diepgaande bepaald werd door de christelijke traditie en Augustiniaanse theologie in het bijzonder. Al was Auden zelf wars van grote woorden. In een preek in Westminster Abbey zei hij: 'It is almost the definition of a Christian that he is somebody who knows he isn't one, either in faith or in morals.' Hij zag het als zijn belangrijkste taak als dichter om dit leven met al zijn tegenstrijdigheden te loven.