Eerst iets over dat genoemde gebed. Op de site van de PKN wordt de kritiek gepareerd met: het is niet zozeer een gebed om regen, maar om zegen. Maar dat is een beetje flauw. Wie het gebed leest, ziet dat de zegen de grond vruchtbaar moet maken. In de context van de droogte kan er dan niets anders bedoeld zijn dan regen.

Volgens veel critici is het gebed daarom een misser. De droogte hebben we zelf veroorzaakt. Die heeft immers alles te maken met de klimaatverandering die op het conto van de mens geschreven kan worden. Moet God dan goedmaken wat wij zelf aan het verprutsen zijn? Spoor dan liever de mensen aan om zelf te veranderen en minder het vliegtuig te nemen of minder vlees te gaan eten.

Deze kritiek zou je een ethische kunnen noemen. Maar er kwam ook een ander soort kritiek. Bidden om regen zou ouderwets zijn. Het zou een ingrijp-god veronderstellen - een god die de wetten van de natuur als een grote tovenaar zou doorbreken. Maar God is niet zo’n ingrijp-god, aldus deze theologische kritiek.

Ikzelf vond het gebed van de PKN oprecht maar voorbarig. Was de nood nu echt zo hoog? Wij leven in ons deel van de wereld op een eilandje van gelukzaligheid. Het leidingwater liep geen enkel moment gevaar. En al onderschat ik (hoop ik) de problematiek van de boer in Nederland niet, in vergelijking met die van zijn collega in Ethiopië of Sudan is zijn probleem peanuts.

Dat een boer in droogtegebieden in Afrika zijn handen alleen nog naar de hemel kan heffen, begrijp ik. En ik gun hem de (ver)horing van zijn (wan)hoop. Of ik God dan toch als ingrijp-god zie? Ik heb geleerd God steeds meer als een eeuwig Gij te zien – een mysterie dat zich niet laat vastleggen in sluitende beelden. Niet in dat van een ingrijp-god. Maar ook niet in de god die gekluisterd wordt door natuurwetten.

Het eeuwig Gij kun je aanspreken. Bidden is: vertellen wat je op je hart hebt. Open-hartig. Zoals koning Hizkia. Toen Jeruzalem belegerd werd en hij per brief van zijn vijand een laatste ultimatum kreeg, ging hij met die brief naar de tempel om hem aan God te laten zien. Hizkia wist er zelf geen weg mee, alleen nog de weg naar de Eeuwige - in de hoop dat Die er raad mee wist.

In het verhaal ‘Litanie’ van J. Bernlef vertelt een man over het lijden van zijn zus. De aanblik daarvan was onverdraaglijk. Een tijdlang ging er een stroom van verwensingen door hem heen. Maar hij vertelt: ‘Daarna viel de stilte. En in die stilte klonk een andere stem, smekend en geknepen. Hij richtte zich tot iemand met wat ik niet anders dan een bede kan noemen. Misschien dat godsdienst daaruit is voortgekomen.’

Ik weet het wel zeker. Het cliché is waar: nood leert bidden. En het gebed is het kloppend hart van alle religie. Maar of de nood in Nederland de afgelopen tijd echt zo hoog was? Wisten we er echt geen weg meer mee? Inmiddels regent het. En meteen klinkt dat oude liedje in m'n hoofd: ‘Het regent, het zegent, de pannetjes worden nat.’ Maar wie of wat zou toch die 'het' zijn?