Wat verlangen wij als wij niet kunnen stoppen met verlangen? Deze wat cryptische vraag vormt de rode draad in dit boek dat als ondertitel ‘The Art of Faith, The Faith of Art’ heeft. Ik  versta de vraag vooral in deze zin: wat houdt een onvervuld verlangen gaande? Wiman is namelijk van mening dat zowel poëzie als het geloof dit verlangen als motor heeft.

Wiman gaat te rade bij tal van collega-dichters. Hij heeft er veel zelf ontmoet. De gesprekken met hen hebben hem vaak verder geholpen bij zijn zoektocht. Maar hij haalt vooral hun gedichten aan. A.R. Ammons komt op die manier een aantal keren terug. Uit een van diens gedichten is trouwens ook de titel ‘He Held Radical Light’ afkomstig.

Sommige dichters zoeken de essentie van hun verlangen louter in de vorm. Die moet perfect zijn. Je moet geloven dat de taal de essentiële energie van een object of persoon kan delen. Dat is dus ook een geloof. Susan Howe leerde Wiman dat zaken van vorm en klank existentiële betekenis hebben.

Maar behalve vorm is er ook de inhoud, de inspiratie. Waar haal je die vandaan? Frank Bidart bracht Wiman tot het inzicht dat inspiratie die je vooral zoekt in je eigen ziel, verkeerd kan uitwerken. In ons leeft namelijk ook een beest dat jou van binnenuit kan opvreten. Daarom volgt hij liever A.E. Stallinga die het buiten zichzelf zoekt.

Zo gaat Wiman van dichter naar dichter, terwijl hij tussen de bedrijven door ook vertelt over zijn levensloop: hoe hij redacteur werd van het tijdschrift Poetry, de liefde van zijn leven tegenkwam, het geloof voor hem ging herleven, hoe hij afscheid nam van het tijdschrift en, jawel hoor, docent literatuur werd op een theologische faculteit.

De theologie en het geloof zijn dan ook nooit ver. Ze vormen een draad die met die van de poëzie het weefsel vormt van dit boek. Je moet wel moeite doen om het patroon dat Wiman met deze draden weeft, te gaan zien. Zijn proza ligt dicht tegen de poëzie aan. Dat vraagt om herlezen van passages. En hij maakt nog weleens overgangen die lastig te volgen zijn. Maar wie nauwgezet het spoor volgt en het boek bladzijde voor bladzijde verovert, wordt beloond.

Waar poëzie en geloof elkaar raken is in een verlangen dat is gewekt door een ongrijpbare dimensie in de wereld. Die dimensie noemt Wiman God. 'Genade' is dan ook een kernbegrip bij hem. Genade is dat wat ons aangereikt wordt van gene zijde. Deze genade (die dicht aanligt tegen de inspiratie van de dichter) laat zich dan ook door niets vastleggen - ook niet door de poëzie. God lijkt zo ons verlangen te voeden met nieuwe honger.

Net als spiritualiteit leven ook de liefde en de poëzie van die honger. Waarmee Wiman overigens niet alle poëzie wil claimen voor het geloof. Daar is zijn geloof ook veel te weinig stellig voor. Het geloof is het gaan een weg waarvan je niet weet hoe hij precies loopt of waar hij uitkomt. Op die weg gidst Wiman ons langs pareltjes van gedichten en overwegingen om ons te laten zien: onstilbaar verlangen houdt ons gaande - gelovig of niet.