Ik had nog het een en ander op stapel staan. Vooral cursussen. Ik heb een aantal fantastische gesprekskringen die al wat langer lopen. Vooral met jonge gemeenteleden. En dan was er ook nog het plan om een kring voor fijnproevers te beginnen rond het vuistdikke boek ‘De Bijbel’ van John Barton. Er hadden zich meer dan dertig mensen aangemeld. Zin in!
Maar helaas. Van geen van de avonden is iets gekomen. Ik mis
het. Niet alleen het contact. Dat ook. Maar vooral de gelegenheid om aan te
voelen, te horen of te merken wat mensen bezighoudt, waar hun vragen liggen,
etc. Het is mijn brandstof.
Omdat ook het pastoraat grotendeels gereduceerd is tot telefoontjes, ben ik gevangen in een vacuüm. Natuurlijk, er zijn gelukkig nog kerkdiensten. Maar dat is het nu juist: de preken kunnen niet zonder het pastoraat; de liturgie kan niet zonder de klankkast van de groepsgesprekken. Kerkdiensten die niet ingebed zijn in levende ontmoetingen kunnen steriel worden.
Maar ik kom steeds meer droog te staan. En ik ga er vanuit
dat ik het normale kerk-zijn als wijkpredikant niet meer meemaak. Deze periode
voelt dan ook aan als prepensioen. Ik word door de coronacrisis al losgeweekt. Klein
leed, maar wel zeurderig gevoel.


