En niet alleen zorgpersoneel. Ook andere hulpverleners en politieagenten worden ermee geconfronteerd. Luister maar eens naar Caroline Koetsenruijter. Ze was deze week op tv te zien in een talkshow. Maar beluister straks ook eens een interview met haar in het radioprogramma ‘De Nieuws BV’.

Ze vertelt dat ook al vóór de coronacrisis agressie tegen hulpverleners twee keer zo hoog was als in andere landen. Maar de laatste tijd neemt het nog alarmerender vorm aan. Hoe dat komt? Het antwoord: de Nederlandse botheid en het voortdurend polderen. Voor tv noemde ze ook nog de doorgeschoten consumentenhouding (zeg maar: ‘ik wil het en ik wil het op mijn manier en wel meteen’). Ze pleit voor grootschaliger begrenzing en handhaving.

Agressie is soms begrijpelijk, vooral waar deze voortkomt uit frustratie om dingen die onrechtvaardig zijn of verkeerd gaan. Maar agressie kan ook manipulatief zijn. Ze speelt op de persoon en gaat gepaard met intimidatie: ‘Als jij denkt dat je mij kunt tegenhouden, ben je nog niet jarig. Uit de weg, anders duw ik je uit de weg.’ En dat is nog maar een mild voorbeeld.

Ik ben erg voor gesprek. Sterker, mijn adagium – ik heb hem van de filosoof Martin Buber - is: ‘Ik heb geen leer, ik voer een gesprek’ (wat ik trouwens lang niet altijd waar kan maken). Maar waar het gesprek onmogelijk wordt gemaakt, daar passen begrenzing en handhaving. Er moeten veilige grenzen zijn waarbinnen de liefde in tijden van corona kan floreren.

Daarom een paradoxaal slot van deze ‘liefde in tijden van corona’: je blijft met je poten van een verpleger/arts/politieagent/politicus/of-wie-dan-ook af.

(Beluister hier het interview met Koetsenruijter)