Een paar maanden geleden zag ik voor het eerst de films die het Engelse leger maakte bij de bevrijding van het kamp. Nooit eerder zag ik gruwelijker beelden. En als kind van de tv-generatie ben je toch wel wat gewend. Maar hier was ik niet tegen bestand. Mensen zaten als levende doden tussen stapels lijken.
Een soort terpen vormen nu de laatste rustplaats van die doden. Het zijn massagraven. Ze liggen verspreid door het kamp. Met eenvoudige teksten als: ‘Hier ruhen 1000 Toten’. Je word er letterlijk met stomheid geslagen. Er heerst dan ook een letterlijk ontzagwekkende stilte.
Maar er was nog iets dat me naar de keel greep. Iets dat ik niet wist. Het kamp is na de bevrijding nog vijf jaar in gebruik geweest. Zogeheten displaced persons werden er geïnterneerd: ontheemden zonder papieren. In Bergen-Belsen zaten na de oorlog voor het overgrote deel…Joden. Het museum brengt hun lot in beeld.
In die naoorlogse jaren ontstond ook in dit kamp het zionistisch ideaal. Een groot aantal Joden wist de weg te vinden naar Palestina. Maar daar werden velen aanvankelijk onderschept en teruggebracht. Naar Bergen-Belsen. Door dezelfde Engelsen die het kamp hadden bevrijd.
Er heerst nu een huiveringwekkende stilte. Een beschuldigende stilte die zelfs voor God te groot lijkt.

Column
Elk gebroken ding
Vorige week was ik in Kampen. Bekend terrein, want ik bracht er mijn studietijd door. Dit keer was ik er voor Christian Wiman. Hij is een Amerikaanse dichter die furore maakt met zijn boek ‘Mijn heldere afgrond’. Over dat boek was een studiedag. Ik mocht er de openingstoespraak doen. Best spannend, want het moest in het Engels en Wiman zelf was aanwezig.
21 oktober 2016

