Verderop in de dienst kunnen kerkgangers er nog iets mee doen. Vlak door de doop mogen ze, als symbool van hun zegenwens, een klein beetje van het doopwater in het doopvont gieten. Dan wordt, zo zeg ik dan tijdens de viering, de dopeling óók ondergedompeld in het warme bad van zegenwensen.

‘Ook’ schreef ik, want de doop heeft allereerst een andere betekenis. Die laat ik nu maar even liggen, want het gaat me hierom: ook niet-gelovige gasten in onze kerk (familie en vrienden van de doopouders) kunnen dan aan het ritueel deelnemen.

‘Ik denk niet dat mijn familie dat doet,’ zei een van de doopouders bij het voorgesprek. ‘Ze hebben er niet zoveel mee. Dat merkte ik de vorige keer al.’ Hij komt uit een wat zwaardere familie. ‘Geeft toch niks,’ zei ik, ‘Iedereen is vrij.’ Maar het kwam inderdaad uit. Er waren dit keer maar weinig mensen die naar voren kwamen. Wat dat betreft is het dus een wankel ritueel. Stel je voor dat er helemaal niemand komt! Mooi warm bad wordt het dan, maar niet heus!

Gelukkig was het ook dit keer verder een feestelijke dienst. Er werd uitbundig gezongen, de sfeer was ontspannen maar op de juiste momenten eerbiedig. En iedereen die ik na afloop sprak was blij. En toen ik tijdens de dienst mijn hand in het doopwater had gestoken voor het eigenlijke ritueel, voelde ik het weldadig warme water. Maar daar hadden onze kosters dan weer voor gezorgd. Hartverwarmende mensen!