Shula volgde de opleiding zang op het conservatorium. Maar
na haar eindexamen kon zij niet meer zingen. ‘Waar gezongen wordt, is leven,’
had haar vader ooit gezegd. Zijn uitspraak gold zijn eigen moeder Frieda die
tot in het kamp liederen zong. Maar na de bevrijding heeft ze nooit meer gezongen.
Ze kon het niet meer. Dit overkomt nu haar kleindochter ook.
De zangverlamming van Shula wordt veroorzaakt door het
overlijden van haar beide ouders, kort na elkaar. Er is iets in haar gestokt.
Ze gaat op zoek naar de oorzaak. Op zolder staan dozen vol met hun spullen van
haar ouders. Doos voor doos pakt ze uit en zoekt uit wat van waarde is en wat
niet. Het verleden van haar ouders gaat zo letterlijk door haar handen. Het blijkt
een pijnlijk proces.
De balans die zij opmaakt van het leven van haar ouders en
de zoektocht naar de oorzaak van haar zangverlamming lopen parallel met een groeiende
belangstelling voor haar joodse wortels, die in haar jeugd werden weggedrukt:
het was gevaarlijk joods te zijn. Ze wordt met name nieuwsgierig naar de synagoge
en bezoekt die dan ook: zal ze ook muzikaal aanknopingspunten vinden in de
eeuwenoude traditie?
Het is duidelijk dat het boek sterk autobiografisch is. Wat Shula
Tas vertelt over haar vader kan op het internet teruggevonden worden. Hij
specialiseerde in schaamte die hij omschreef als ‘het gevoel dat je in de ogen
van anderen compleet waardeloos bent en dat ze daarin nog gelijk hebben ook’.
De woorden komen letterlijk terug in dit boek.
Schaamte blijkt ook de kern van Shula’s probleem te zijn. Die schaamte spreekt zij uit als zij de spullen van haar ouders tenslotte één voor één weggooit. Het is bijna een religieus ritueel dat zich aan de oevers van de Amstel afspeelt. Met elke greep die zij doet, spreekt zij een schaamte uit. Zo eindigt de zoektocht in haar ziel met de therapie van haar eigen vader. En dan voel je: het komt goed.


