De hoofdpersoon van deze mooie roman, Vera Schutter, verliest haar zus Brigitte. Het eerste van drie delen in dit boek beschrijft de aanloop naar de crematie van Brigitte. Het speelt zich af in Spanje waar de zus woonde. Vera zal tijdens de crematieplechtigheid spreken. Maar al dubbend over wat zij zal gaan zeggen, bestormen herinneringen haar. Zo krijg je als lezer een beeld van het gezin waaruit beide zussen afkomstig zijn en van hun leven daarna.

Het tweede deel speelt in Amsterdam waar Vera met haar Lennart woont. Hij is haar tweede man, haar eerste man (Sean) is gestorven.

Brigitte kwam voorlopig niet terug, het was vroeg. Zelfs bij haar eigen Sean had het maanden geduurd voordat hij terugkeerde. Na zijn dood leerde zij hem opnieuw kennen.

De roman gaat dus over nabestaan – nabestaan als een vorm van gesprek met de overledene. En dat zal in deel drie nog een rol spelen. Deel twee cirkelt vooral om haar man en zoon. Die zoon, Fabian, is door zijn vriendin uit huis gezet. Hij verblijft bij zijn ouders. Daarover zijn – ook vanwege Fabians gezondheid – grote zorgen. Maar ook haar man en haar schoonmoeder vragen aandacht. Lennart heeft een hartkwaal en is snel moe; voor haar schoonmoeder Ruth zijn ze beiden mantelzorger.

De roman laat goed voelen hoe Vera door alle zorgen onvoldoende toekomt aan de verwerking van het overlijden van haar zus. Daarvoor is pas ruimte als zij in haar eentje deelneemt aan een groepsreis naar Marokko. Hoewel onder het verwerken steeds de wens ligt om aan het verdriet (en aan de zorgen) te ontsnappen.

De roman (met veel autobiografische elementen) vertelt een indrukwekkend verhaal over omgaan met verlies. Tegelijk wordt het nergens een loodzwaar boek. Het blijft een Van der Meer: subtiel, nuchter en realistisch, maar tegelijk met veel gevoel en empathie geschreven. En waar de titel op slaat? Dat laat zich raden.