Het werk van Wigman wordt gekenmerkt door een vaak strakke stijl. Niks geen geëxperimenteer met bizarre vormen. Alles staat in een zeker gelid. Ik houd daar van. De gedichten zijn bovendien nooit lang: ze komen zelden over de pagina heen. Daar houd ik ook van. En de inhoud laat zich al snel verstaan. Daar houd… nou ja.
Gelukkig is die toegankelijkheid bedrieglijk. In elk gedicht zit wel een addertje onder het gras. Je denkt een gedicht al snel te pakken te hebben, maar op een zeker moment ontsnapt het. En voordat je het weer te pakken hebt, moet je moeite doen. Goed zo. Ook dat is wat mij betreft een kenmerk van goede poëzie.
Wigmans gedichten zijn vaak melancholiek. De
vergankelijkheid is natuurlijk een van de belangrijkste motieven in de
literatuur. Maar bij Wigman is dat sterk het geval. En: zonder dat het ontaardt
in clichés. ‘Het einde is nog niet in zicht, maar ergens loopt iets af,’ heet
het in ‘Uitverkoop’.
Geen wonder dat Wigman zich ook liet betrekken bij ‘De Eenzame Uitvaart’, een initiatief van dichters om mensen die in diepe eenzaamheid stierven een gedicht mee te geven. Lees hieronder het ontroerende gedicht en je weet dat Wigman de juiste man was voor deze droeve gelegenheden. Wat een eerbied en mededogen voor een mensenleven dat voorbijging!
In zijn laatste bundel merk je al dat zijn eigen gezondheid
broos werd. Het gedicht ‘Intensive care’ laat wat dat betreft niets te raden
over: ‘Twee weken in mijn eigen graf gekeken, / zo diep dat ik het haast
begeven had.’ Maar ook ‘Afscheid van mijn lichaam’ gaat over die periode. Met
daarin de prachtige regel: ‘De zon was mij nooit opgevallen, als hij niet /
steeds onderging.’
En over prachtige regels gesproken: soms spreekt een gedicht minder aan, maar krijg je ineens een elektrisch schokje door een of meer prachtige regels die het hele gedicht goed maken. Zoals deze (over leren schrijven): ‘Toen schopte ik de Schoonheid van mijn schoot / en kwam ik grimmig zingend op verhaal.’ Of: ‘Hoelang al was je in jezelf verongelukt’ (opnieuw bij de stille uitvaart). Afijn, zo kan ik nog wel even doorgaan.
De bundel met verzamelde gedichten die nu verschenen is, werd samengesteld door Neeltje Maria Min en Rob Schouten. Ze namen ook gedichten op die nog in geen enkele bundel stonden. Dat maakt de nalatenschap van Wigman compleet. Maar het boek is nog lang niet uit. Wigman schreef gedichten die je blijft herlezen. En bij het herlezen blijf je telkens denken: Wat een verlies. Hij was een van onze grootste hedendaagse dichters. Hij stierf veel te vroeg.
(Hieronder een van de - wat mij betreft - mooiste, want compassievolle, gedichten van Wigman:)
Bij de gemeentekist van mevrouw P.
Slaapt ze? Ze slaapt. Na drieëntachtig jaar,
driehonderdvijfenzestig keer per jaar.
haar haar gekamd te hebben, op ik weet niet hoeveel
schoenen door de stad te zijn gelopen,
steeds maar weer die veters, vorken, lepels,
mensen, wat voor mensen, waar dan, slaapt ze.
Ze slaapt en ik, morbide als ik ben, denk aan
haar kam, haar nagelschaar en wenkbrauwstift,
hoe alles, nachtcrème, bankpas, tijdsgewricht,
wordt weggeworpen, uitgewist. En dit,
is dit beschaamde slepen een begrafenis?
Alsof je ongemerkt een munt verliest,
op een verveeld station je krant vergeet. Zoiets.
Noem het tragiek, noem het ritme, de tijd,
die vuile carnivoor, zorgt steevast voor een eind
dat stinkt. Maar ze slaapt nu, ze slaapt.
Dus dek haar toe en zorg dat haar vermoeide voeten
nooit meer de straat op hoeven.

