Ik zal vast weleens een gedicht van hem hebben gelezen in een of andere bloemlezing. Maar dat is nooit bij mij blijven hangen. Onnodig te zeggen dat er ook geen bundel van hem bij mij in de boekenkast staat. Natuurlijk, zijn naam was weleens voorbij gekomen. Maar een belletje ging er nooit rinkelen.
Het is mijn gewoonte om bij elke boekwinkel die een schap poëzie heeft staan (er zijn er niet zoveel meer), deze boekhandel meteen steunen door de aankoop van een bundel. Zo kruiste mijn pad eindelijk dat van het oeuvre van Tentije. ‘In het ongewisse’ heette de verzamelbundel van zijn werk van 2011-2024. Ik begon thuis meteen te lezen en was verkocht.
Een bespreking van een onbekend verzameld werk (of zoals in dit geval, een deel van het werk) is altijd prematuur als zo'n bespreking kort na verschijning al wordt geschreven. Poëzie moet je langzaam tot je nemen. Gedicht na gedicht moet je proeven. Pas na een aantal weken, ja, maanden kun je dan iets zeggen over het totaal.
Dat ik nu al iets erover schrijf is dan ook een deelindruk. Maar ik moest er meteen iets over kwijt. Wat een prachtige gedichten! Al grasduinend vond ik indrukwekkende observaties. De gedichten van Tentije gaan vaak over het verleden. Weemoed is de voortdurende ondertoon. Nou, dan heb je me; ik hang van weemoed aan elkaar.
Bij een bezoek aan een oude buurt heet het in ‘Van welke kant’:
Staande op de hoek die er niet meer is, zie ik
hoe het steensverband van de bestrating
zich de samenhang zou willen heugen, de huizen hiertegenover
terugroepen, evenals de dag
van gisteren
toen achter schuurtjes, schuttingen, blikkerende
broeiramen, loodsen en werkplaatsen
goederentreinen reden om wat voorbij was steeds verder
weg te voeren […]
De gedichten zijn vaak beschrijvingen van plekken. En: meestal zijn mensen er afwezig.
Het meest indrukwekkende gedicht dat ik tot nu toe las was ‘Lungenheilstätte für Frauen’, dat gaat over een verlaten sanatorium. Het beschrijft een desolaat gebouw waar nog steeds de sporen van patiënten te vinden zijn: röntgenfoto’s van longen en strottenhoofden. De verteller brengt het sanatorium tot leven met beelden van verpleegsters die rondlopen met thermometers en verbandgaas ‘terwijl er op zaal een chronisch tekort aan troost en sacramenten heerste’:
De spijlen van roestende ledikanten, die als tralies waren, de open ramen
waarachter het zicht gaandeweg vervaagde –
bijtijds te mogen sterven is een groot voorrecht soms
Nee, ik ben nog lang niet uitgelezen. Ik heb wat in te halen.
