Het is algemeen bekend dat steeds minder mensen de oorspronkelijke betekenis van Pasen kennen. Ooit vroeg ik leerlingen van een middelbare school of ze wisten waar we aan dachten met Pasen. ‘Aan de komst van de Paashaas misschien?’ probeerde een meisje. Ze was serieus, meld ik maar even voor de zekerheid.

Toch is het niet zo gek wat de reclamemakers van Jumbo bedachten. Pasen is een voorjaarsfeest. Het kerkelijk jaar knoopt aan bij de seizoenen. De viering van de komst van het licht der wereld (Jezus) in een donker bestaan haakt handig aan bij de donkerste dagen van het jaar. En de viering van de opstanding van Christus uit de dood loopt synchroon met het tot leven komen van de natuur.

De eerste kerken van Europa werden gebouwd op de ruïnes van heidense heiligdommen. Of heidense tempels werden verbouwd tot godshuizen. De kerk sloot aan bij een bestaande cultuur en transformeerde die vervolgens. Op dezelfde wijze borduurde de kerk haar kalender over de ondergrond van de natuur(godsdiensten).

Maar de westerse cultuur wordt nu weer ontdaan van haar christelijke laag. De heidense grondlaag van onze samenleving wordt weer zichtbaar. Kerst wordt een algemeen lichtjesfeest en Pasen een viering van het voorjaar.

Is dat erg? Och, de kerk kan ook bestaan zonder een gekerstende samenleving. Zo is ze ooit begonnen en toonde toen haar grootste groeikracht. Zo zal er ook in een postchristelijke samenleving wel een kerk zijn.

Maar toch vind ik het jammer. De samenleving wordt er symboolarmer door. Want ik kan in de Paashaas en de schappen van de Jumbo maar moeilijk betekenisvolle symbolen zien. Ook ik wens iedereen natuurlijk graag een vrolijk voorjaar toe. Maar voor het echte feest moet je in een kerk zijn.