De glansrol in deze film is weggelegd voor Moonee, een meisje dat met haar jonge moeder Halley de zomer doorbrengt in het motel. Ze is brutaal, kan sarren als de beste, maar neemt elke bioscoopbezoeker voor zich in. Ze haalt kattenkwaad uit, weet zich te vermaken met niets en lijkt zich niet eens bewust van het nabij gelegen Disney World.

Haar levensblijheid en onschuld staan in schril contrast met de wereld van de volwassenen om haar heen. Om te beginnen die van haar moeder, een asociale jonge vrouw die ondanks haar liefde voor Moonee, haar niet bepaald het goede voorbeeld geeft. Dat geldt ook voor een deel van de andere bewoners, die grotendeels aan lager wal geraakt zijn.

‘Voor een deel’ zei ik, want onder de bewoners zijn ook mensen met een groot hart. Een van hen is de manager van het motel, Bobby. Hij is een toonbeeld van geduld. En vooral: bij hem zijn de kinderen veilig. Terecht  werd hij voor zijn rol genomineerd voor een Oscar (niet gekregen trouwens).

Maar ik heb ademloos gekeken naar de acteerprestatie van de kleine Brooklyn Prince, die Moonee speelt. Ik had regelmatig het gevoel te kijken naar een documentaire, zó levensecht en naturel speelt zij haar rol. De lol die zij heeft, spat van het scherm af. Ontroerend om te zien.

Maar als kijker zie je de troosteloze achtergrond en weet je: dit kan niet goed blijven gaan. De film brengt een sociaal drama in beeld dat overal in Amerika gesitueerd had kunnen zijn. Er is immers in veel delen van Amerika diepe armoede. Toch is het geen treurige film. Zolang kinderen nog plezier hebben en er mensen zijn als Bobby is er hoop.

https://www.youtube.com/watch?v=WwQ-NH1rRT4