Dat ik nog nooit een boek van Koos van Zomeren las is natuurlijk een gebrek. Ik las regelmatig hoe goed hij wel niet was. Zijn taalgebruik zou zeer verzorgd zijn. Zijn natuurbeschrijvingen ongeëvenaard. En zijn avonturen met zijn hond moesten af en toe erg ontroerend zijn.
Deze drie dingen (stilisme-natuur-hond) vormen ook in dit boek een aantal van de kenmerken. Het dagboek beslaat de periode april 2023 tot augustus 2024. En de hond heet hier Ernie. Van Zomeren wandelt per dag minstens twee uur met zijn viervoeter. Maar ook de vorige hond komt nog regelmatig ter sprake. Stanley heette hij. Hij verongelukte toen hij tijdens een bergwandeling achter een gems aanging. Het verdriet daarover werkt nog steeds door, zo merk je als lezer.
Na de twee uur durende wandeling in de omgeving van zijn woonplaats Arnhem gaat Van Zomeren dagelijks aan het werk. Tot een uur of één. Daarna wordt er gelezen, véél gelezen. Of sport gekeken. Het nieuws wordt natuurlijk ook gevolgd (Gaza!) En ’s avonds staat Netflix nog weleens op het dagprogramma.
Het is niet de gezapigheid van dit dagelijks ritueel die mijn leessnelsnelheid remde. Ik houd er wel van – geef mij maar het tv-programma Rail Away. Het wordt mij dus niet snel saai. Nee, het was iets anders dat mij remde. En daar wreekt zich de niet-Van-Zomeren-lezer in mij. De schrijver veronderstelt namelijk dat ik dat wel zou zijn. Hij grijpt veel terug op oud en recent werk. Zodat ik me bijvoorbeeld lang afvroeg: Wie is toch die Walraven? Hij blijkt de hoofdpersoon uit zijn recente roman. Zo zijn er wel meer voorbeelden te noemen.
Van Zomeren is in het algemeen erg bezig met het opmaken van de balans van zijn schrijverschap (hij loopt tegen de tachtig). Regelmatig klinkt hij daarover knorrepotterig. Hij zou wel wat meer erkenning voor zijn oeuvre willen. En er komen ook maar geen recensies van zijn laatste boek. Toch is hij tegelijk dankbaar. Het woord komt een aantal keren terug.
Dat hij de maanden in dit dagboek afwisselt met fragmenten nieuw materiaal helpt de leesbaarheid niet erg. Ik zat er althans niet op te wachten. Het boek wordt er een beetje slordiger door. Misschien wreekt zich wat Van Zomeren zelf ook al aanstipt wanneer hij schrijft:
Vorig jaar rond deze tijd aarzelde ik nog of ik voor publicatie zou gaan of niet. Sinds die knoop is doorgehakt, is dit een dagboek voor de bühne.
Dat zou weleens de achilleshiel van dit dagboek kunnen zijn. De lezer keek misschien al een beetje hinderlijk mee over de schouder van de schrijver. Dat remt en dempt. Is dat misschien ook de reden waarom De Arbeiderspers besloten heeft in de reeks van Privé-Domein (waarin dit boek ook is uitgegeven) geen dagboeken meer uit te geven van levende schrijvers ? Zou jammer zijn, want Gerbrand Bakker bewijst dat het wel kan.
Maar voor dit boek moet je, denk ik, al een Koos van Zomeren-liefhebber zijn om het ten volle te waarderen. Ik ga mezelf wel de kans geven er ook één te worden. Ik ga zeker nog ‘een Van Zomeren’ proberen.


