De eerste is Marilyn Monroe. Het is haar artiestennaam. Daarachter gaat het meisje Norma Jean schuil. Maar zij kan alleen leven als ster. Een ster is een eigen schepping waarin de wereld gaat geloven. Op den duur weet ook Monroe zelf niet meer wie zij echt is. ‘Ik ben bang dat ik een fantasieproduct ben.’ Ze raakt de weg kwijt in haar eigen en kiest ze voor de dood.

Marguerite Dumas is de tweede hoofdpersoon. Ze heeft met Marilyn gemeen dat zij met een hergeboorte haar oorspronkelijke geboorte en jeugd probeert ongedaan te maken. Monroe zocht het in het sterrendom, Dumas in het schrijverschap. Maar dit schrijverschap waarmee zij haar 'ik' wil wegschrijven, lijkt alleen te kunnen bestaan dankzij de drank. Die zal haar dan ook uiteindelijk fataal worden.

Dat laatste heeft ze gemeen met Jane Bowles (de enige van de vier die ik niet kende) en Patricia Highsmith. En bij die hoofdstukken merkte ik dat mijn aandacht verslapte. ‘Daar gaan we weer: opnieuw de alcohol,’ dacht ik. Maar dat is niet terecht. Terugbladerend zie ik dat Palmen ook in deze hoofdstukken wel degelijk iets te melden heeft.

Bowles leed onder een pathologische besluiteloosheid. Aan die besluiteloosheid lag een bijzonder soort ambivalentie ten grondslag: ze kon alleen leven met de verbeelding - die door haar vader verbóden was! Dat laatste is ook zo’n kenmerk dat de vier vrouwen deelden: de afwezige of harde vader. Ook Highsmith, bekend van psychologische thrillers, groeide zonder vader op.

Halverwege het essay haperde mijn lezen dus even. Maar dat kan liggen aan het feit dat ik alles achter elkaar las. Misschien is het beter om het boekje tussendoor weg te leggen. Wat ik mij na lezen en herlezen wel afvraag: waarom spreken de vrouwen Connie Palmen zo aan? In haar beschrijving blijft de auteur zelf buiten beeld. Ze moet zich op de een of andere manier in de vrouwen hebben herkend. Daar had ik graag meer over gelezen.