In zijn vorige boeken keerde de inmiddels overal populaire Belgische psychiater zich tegen het krampachtig zoeken naar geluk en het mijden van het lijden. Het leven hoeft niet altijd leuk te zijn, zo hoorden we hem zeggen. Maar nu keert hij zich tegen de haast en het moordende tempo waarin wij ons laten dirigeren.
Hij kiest daarvoor zijn uitgangspunt in zijn eigen naam. Dat kan gemakkelijk flauw worden. Zo hoorde ik ooit iemand zeggen dat (de schele) Sartre wel een aparte kijk op de wereld had. Maar bij De Wachter werkt het. Hij is een wachter. Hij weet dus waarover hij spreekt als hij een wachtende levenshouding propageert.
‘I want it all,’ zong Queen, ‘And I want it now’, aldus de nerveuze levensinstelling van de modern mens vertolkend. Maar De Wachter bepleit het wachten zonder vérwachting. Hij heeft het van de Duitse filosoof Heidegger die, in navolging van de mysticus Meister Eckhart, sprak over ‘Gelassenheit’.
Ook in dit boek komen we de stokpaardjes van De Wachter weer tegen: Levinas, kunstenaars als voorbeeldmensen, Parijs. Maar de rode draad in dit boek is nieuw. Zo neemt De Wachter ons mee naar een volgende fase van zijn gidswerk. Wacht op wat zich aandient, horen we telkens op andere tonen.
Dichters zijn bij uitstek wachters: ‘Ze vragen je om traag te lezen, te herlezen, nog eens te lezen, enkele gedichten uit hun bundel, die dan rustig op je nachtkastje te leggen en morgen weer vast te pakken.’ Ik stem daar als poëzieliefhebber uiteraard mee in. Het gedicht ‘Eb’ van Vasalis heeft hem in dit boek te pakken. We horen het twee keer.
Er is ook aandacht voor bidden, al is hij dat zelf niet in de klassieke zin van het woord. Hij kent óók het lied ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw.’ Maar, beste Dirk, dat is geen psalm zoals u meldt: het is een versje van Michel van der Plas. Maar wel toepasselijk in het kader van dit mooie boek. Dat dan weer wel.