Byung-Chul Han is een Koreaanse filosoof die doceert in Berlijn. Met de regelmaal van een klok publiceert hij kleine deeltjes waarmee hij aan een oeuvre schrijft dat je zou kunnen vergelijken met een ketting waaraan hij kraal na kraal rijgt. De ketting heeft inmiddels een herkenbaar patroon: verzet tegen de verplatting en verslaving in de huidige maatschappij.
Ook in dit boek is dat de toon. Maar anders dan in andere werken delft Han inzichten op uit het werk van één andere filosoof, de Franse Simone Weil, die zeer radicale ideeën had over onze maatschappij, over God en het goede leven.
‘In alles tot het uiterste’ luidt de titel van een boek dat Frits de Lange niet lang geleden schreef over haar werk. Vanwege haar vergaande radicaliteit sprak hij nog over gemengde gevoelens van fascinatie en irritatie. Maar van irritatie blijkt bij Han geen sprake, alleen van fascinatie en bewondering.
Zijn boek zou je dan ook als een bloemlezing kunnen zien. Hij weeft uitgebreide citaten van Weil in in zijn eigen tekst en betrekt ze ook op huidige ontwikkelingen in de maatschappij. De grondgedachte van zijn redenering is dat onze antenne voor God niet meer werkt. Maar niet God is dood, de mens aan wie God zich openbaart is dood. Religie leeft van aandacht. Maar onze aandacht wordt gekaapt en versplinterd door de hegemonie van economie en Big-tech. Het zijn de nieuwe afgoden.
Dit soort standpunten zijn niet nieuw. Je komt ze hoe langer hoe meer tegen. Maar Han is wel heel erg radicaal. Redelijk kritiekloos neemt hij de gedachtegang van Weil over dat alleen pijn ons dichter bij de werkelijkheid en de vreugde brengt. Maar het discours is hier zo abstract dat ik dacht: ‘Vertel dat maar eens aan een getraumatiseerd iemand.’ Hier miste ik de irritatie die De Lange noemde.
Maar in zijn radicaliteit en filosofie zonder opsmuk legt Han wel de vinger op de zere plek. We leven in een ziekmakende maatschappij die God heeft verdreven. Maar: ‘Als we maar aandachtig zouden toekijken, dan zouden we God ontmoeten, overal.’ Han spreekt uit eigen ervaring want in de inleiding vertelt hij dat hij op een moment een kracht bespeurde die sterker was dan hijzelf – net als Simone Weil had ondervonden in een kapel in Assisi.