Wat is bevrijdingspastoraat? Kort gezegd veronderstelt het dat mensen bezeten kunnen zijn door kwade machten. ‘Demonen’ zeggen anderen, daarmee aansluitend bij het Bijbels taalgebruik. Daarvan kunnen mensen – net zoals in het evangelie – bevrijd worden. Het bevrijdingspastoraat wil daarbij behulpzaam zijn.

De schrijvers van de handreiking bieden kerkelijke gemeenten een overzicht van ‘pastorale mogelijkheden en valkuilen’ van het bevrijdingspastoraat, zoals de ondertitel van het boekje luidt. Want we moeten - aldus de auteurs - de vragen die er rond dit onderwerp leven niet negeren. Dan zouden we wellicht ‘de helende werking van de Geest en de bevrijdende kracht van Christus tekortdoen.’ Anderzijds willen de schrijvers waken voor overenthousiasme dat onbedoeld de schade alleen maar groter kan maken.

Deze zorgvuldige behandeling van het onderwerp is te prijzen. Maar tegelijk wordt deze enerzijds-anderzijds-houding zover doorgevoerd dat me het gevoel bekroop: krijg ik nu wel een handreiking? Het pad dat gewezen wordt is voor mij alleen maar glibberiger geworden. Gaandeweg ging ik vermoeden dat er aan dit boek zeer verschillende opvattingen ten grondslag liggen. Om toch met één mond te kunnen spreken wordt een resultaat gepresenteerd met weinig profiel en dat bovendien het hinken op meerdere gedachten verraadt.

Zo wordt gesproken over ‘bezetenheid’, maar wordt het woord gebruikt als algemene term voor de ongrijpbare macht die het kwaad uitoefent. Zo beschouwd kent iedereen vormen van bezetenheid, zeggen de schrijvers een bladzijde verder. Maar weer een aantal bladzijden verder stellen ze dat het Bijbels spreken over demonie niet als tijdgebonden mag worden beschouwd en dat genezingsverhalen niet geheel en al metaforisch verstaan mogen worden (wat bedoelen ze hier trouwens met ‘metaforisch’: niet echt?).

Ook het wisselend gebruik van woorden als ‘aanzeggen van bevrijding van Godswege’ en ‘gebed om genezing/bevrijding’ laat de lezer achter met het gevoel: waar hebben we het nu concreet over? Want dit zijn toch wezenlijk verschillende praktijken? De schrijvers wijzen verder op het gevaar psychische ziektebeelden te verwarren met bezetenheid. Terecht natuurlijk. Maar waar ligt de grens? Is een Indonesische man die doden ziet ronddwalen een speelbal van verborgen krachten (zoals hij in het boek wordt opgevoerd) of hallucineert hij?

Het boekje lijkt op een zegsman die zo-even een vergadering heeft geleid met mensen die totaal verschillende opvattingen hebben en die nu voor de taak staat voor de buitenwacht één gezamenlijk standpunt te moeten verwoorden. Een onmogelijke taak! Daarom eindigt het boekje ook met een liturgie voor een dienst van bevrijding waaraan niemand zich een buil kan vallen: het is gewoon een dienst van gebed om genezing. Alleen in een terzijde wordt vermeld dat ‘afhankelijk van de hulpvrager de boze macht uitgewezen kan worden’. Maar hoe? Joost mag het weten.

Aan het eind komt er nog een vreemde aap uit de mouw: ‘Als er gevraagd wordt een kamer/ruimte te reinigen, kan water gebruikt worden.’ Het liet mij achter met het gevoel dat ik opeens in het 19de eeuwse Engeland was waar het volgens de mensen van toen in veel huizen kon spoken. Waar eindigt geloof en begint bijgeloof?

Overigens begrijp ik het dilemma van de schrijvers. Hoe kun je in een enorm pluriforme kerk nu zo uniform mogelijk over een onderwerp schrijven? Maar wat mij betreft hadden zij, wat ondertitel van hun boek betreft, bij het woord ‘valkuilen’ kunnen blijven. Die brengen de schrijvers goed in kaart - ook wat betreft de liberale gelovigen die een wel heel erg grote verlegenheid hebben met gebed en het spreken van de Bijbel over demonen.

Zo bezien roept het boek ook nuttige vragen op. Hoe gaan wij met het gebed om? Wat mogen wij ervan verwachten? En hoe moeten wij het Bijbels spreken over demonen uitleggen? En is God een ingrijpgod of is Hij gebonden aan de natuurwetten of iets er tussenin? Vragen om verder over na te denken.