BILLY COLLINS
Graf
Wat vind je van mijn nieuwe bril
vroeg ik terwijl ik in de schaduw van een boom
voor het gezamenlijke graf van mijn ouders stond,
en wat volgde was een lange stilte
die neerdaalde over de rijen doden
en over de velden en bossen verderop,
een van de honderd soorten stiltes
volgens het Chinese geloof,
elk anders dan de andere,
en de verschillen zo vaag
dat alleen een paar bijzondere monniken
in staat waren ze uit elkaar te houden.
Hij maakt je heel geleerd,
hoorde ik mijn moeder zeggen
toen ik eenmaal op de grond lag
en mijn oor in het zachte gras drukte.
Toen rolde ik me om en drukte
mijn andere oor tegen de grond,
het oor waar mijn vader graag in spreekt,
maar hij zei niets,
en ik kon geen stilte vinden
tussen de 100 Chinese stiltes
die zou passen bij die ene die hij schiep
hoewel ik zelf degene was
die zo-even begonnen was over de kwestie
van de 100 Chinese stiltes –
de Stilte van de Nachtboot,
en de Stilte van de Lotus,
het neefje van de Stilte van de Tempelklok
alleen dieper en zachter, als bloemblaadjes aan hun uiterste randen.
(Vertaald uit: Aimless Love. New and Selected Poems 2013)
Er speelt veel in dit gedicht. Daar is allereerst die innige band met ouders. De verteller spreekt ook nog na hun dood met hen. Zelfs over dagelijkse dingen zoals zijn nieuwe bril. ‘Wat vind je ervan?’ vraag hij. Een bijna kinderlijke vraag, en dat maakt het spreken tot zijn ouders vertederend.
Maar er valt een stilte en dat is de aanleiding om te spreken over de 100 verschillende soorten stiltes die er volgens het Chinese geloof zijn. Het prikkelt je als lezer om na te denken over stilte. Inderdaad: hoeveel stiltes zullen er zijn? Wij kennen een pijnlijke stilte. Een oorverdovende stilte. Of een weldadige stilte. Maar dan zijn we er wel zo’n beetje. Maar er moeten we dus meer zijn. Het gedicht nodigt uit om nog eens goed naar de stilte te luisteren.
Toch wordt de stilte één keer doorbroken. Een sprekende stilte zou je kunnen zeggen. De moeder antwoordt. Haar antwoord is heel lief. Maar het antwoord komt pas als de dichter zijn oor te luisteren heeft gelegd op het graf. Opnieuw: het heeft iets kinderlijks. Alsof het kan: dat een dode vanuit haar graf nog spreekt. Maar de dichter hoort het.
Zijn vader zwijgt. Of nee, ‘zwijgen’ is teveel gezegd. Er is een stilte. Een die de dichter niet kan vinden tussen die 100 soorten stiltes. De dode vader schept zijn eigen stilte. Is dat geen mooie, liefdevolle gedachte? Onze gestorvenen laten allemaal hun eigen specifieke stilte na.

