LEO VROMAN
Oud Nieuw Jaar
Iedereen heeft persoonlijk
wel een heel eigen Nieuw Jaar.
Ikzelf heb er gewoonlijk
ook zo een paar.
Neem bijvoorbeeld de dag
waarop Tineke landde
in New York, en ik haar echt zag,
en wij elkanders handen
en in 1918, toen ik mijn benen ontwaarde
in een zandbak, en wist dat dat daar
Ik was, die leefde op deze aarde,
maar ik weet niet meer welke dag van dat jaar,
en voor een van mijn Nieuwjaarsdagen
moet ik Bandung nog steeds bedanken.
Maart. De eerste krijgsgevangenennacht,
en op de koele wind van de Preanger
kwamen de verwaaide klanken
van een ver gamelanorkest.
Zo begon mijn vrede, want de rest
bestond niet langer.
(Uit: Soms is alles eeuwig)
Nieuwjaar krijgt in dit gedicht een heel andere invulling
dan die van begin van een kalenderjaar: het staat hier voor het begin van een
nieuw tijdperk. Dat er een nieuwe tijd aanbrak toen hij na jaren van oorlog
zijn vrouw Tineke weer zag (of zoals hij zelf schrijft ‘echt zag’), is
begrijpelijk. Ook dat beeld uit de kinderjaren snapt iedereen. Maar die laatste
strofe?
Hoe kan er een vrede beginnen op de eerste dag in
krijgsgevangenschap in een Jappenkamp? Misschien dat er van dat gamelanorkest
een diepe troost en rust uitging. De gebeurtenis stond kennelijk na meer dan 65
jaar nog in zijn geheugen gegrift. Let op de titel van de bundel waarin het gedicht
werd opgenomen: Soms is alle eeuwig.


