JAN H. DE GROOT (1901-1990)
Café in kersttijd
Rood is het licht van rood papier om lampen.
Hulst prijkt op tafels. Langs de wanden, groen
van sparretakken. Groc-glazen dampen.
Naast koude borrels een slaatje met citroen.
Vrouwen lachen zacht of luid en mannen praten.
De juffrouw achter de piano speelt
een mop, die jongens fluiten op de straten,
die ieder kent, en iedereen verveelt.
Twee mannen in hemdsmouwen gaan biljarten.
De een krijgt van de ander twintig voor.
Vier kaarters kibbelen; één, tierend, vraagt om harten.
De juffrouw speelt daar rustig tusschen door.
Ze speelt. 't Is uit. Ze wacht. 't Schiet haar te binnen
dat 't kersttijd is. En zonder zweem van spot
schikt zij zich recht en gaat opnieuw beginnen
en speelt de menschen voor: Eere zij God.
Eere zij God. Is dit een vloek? Het stormt. De wanden
barsten. Wij allen zingen hemel saam tot hel.
Eere zij God! 't Is kersttijd in de kroeg. De wereld in Uw handen
God een gekleurde bal in Uw volmaakte spel.
(Uit: Vaart. 1931)
In een café wordt plots het Ere zij God aangeheven. Blijkbaar kenden veel mensen dat toen nog (we schrijven 1929). Maar we lezen: ‘Eere zij God. Is dit een vloek?’ Het lied strijdt met de sfeer waarin de mensen toen leefden: die van de Grote Depressie. Maar het blijft bijzonder, dat lied op die plek. Maar wat betekent toch die zin ‘Wij allen zingen hemel saam tot hel’? Laat het me weten als je het denkt te weten.
Jan H. de Groot behoorde tot de christelijke dichters van de beweging ‘Opwaartsche Wegen’. Maar de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust verpletterde zijn geloof. De eerlijkheid vraagt dan ook om een verwijzing naar een heel ander, namelijk bitter Kerstgedicht van zijn hand. Je vindt het halverwege dit artikel.
Maar dit gedicht blijft intrigerend. Mede omdat onze tijd, weliswaar op een andere manier, ook donker is. Voor het tweede achtereenvolgende jaar kunnen mensen niet eens in kerken het Ere zij God samen zingen. Toch zal het ook deze Kerst klinken. Bescheiden en breekbaar als eens in dat café. Het stormt. De wanden van de wereld barsten. Maar in bijna lege godshuizen klinkt straks een lied van op-hoop-van-zegen.