CHR. J. VAN GEEL
Novemberbomen
Lichter van kleur dan in het voorjaar
en niet zo voorzichtig van doen,
niet als hun groet bijna benepen,
nemen zij afscheid, de doorzichtige bomen.
Plotseling ritselen zij zich kaal.
Enkele blaren tot diep in de winter,
besluiteloos aan spitse graten,
roerloze ogen haken
in losse wind.
(Uit: Verzamelde gedichten 1993)
Het staat me nog helder voor de geest: hoe ik voor het eerst echt goed keek naar twee laatste blaadjes aan een boom. Ze klampten zich in de wintermaanden hardnekkig en dapper vast aan de takken van een perenboom die hen het leven had geschonken. Het zal rond 1990 zijn geweest. De boom stond voor mijn toenmalige werkkamer. Aan de blaadjes haakte zich wekenlang de meditatieve blik die ik elke ochtend oefen. Aan die twee blaadjes moet ik ook telkens denken als ik dit gedicht lees. ‘Roerloze ogen haken in losse wind.’
Willem Jan Otten schreef over het werk van Van Geel: ‘Hij is
de dichter geworden van de ontvankelijkheid – een gedicht vangt wat je met je
vooropgezette dagbewustzijn niet kunt zien, wat je met je dwingende rede niet
kunt ondervinden, wat je met je wakend oor niet kunt horen.’ Die ontvankelijkheid
spreekt ook uit dit gedicht. Poëzie raakt aan meditatie.