C.O. JELLEMA
Oktober
Weer wordt het herfst. Weer gaat het dromen onder.
Het blad verkleurt. Nog is de hemel blauw
voordat de stormen komen. ’k Denk aan jou,
dat jij bestaat, aan dat ik niets ben zonder
jouw beeld in mij, aan dat het breken zou,
aan woorden die wij niet herroepen konden,
en aan die avond dat wij elkaar vonden,
aan ganzenvlucht, zonsondergangen, kou.
En aan het einde, misverstanden, zonden
van zelfmisleiding, te voorzien berouw,
aan het vergeefse dat wij eens bestonden,
aan dat voorbij ging dat ik dacht aan jou.
(Uit: Verzameld werk. Gedichten)
Het mooist zijn de gedichten waarbij rijm en ritme zich niet opdringen, maar subtiel het zingen van de zinnen ondersteunen en versterken. Pas na herlezing gaat zo’n kunststukje opvallen. Dit is zo’n gedicht. Rijm en metrum zijn de stutten van een stil en ingehouden, maar schrijnend verdriet.
Na het enjambement van regel 4 val je ineens in gemis van een verloren liefde. ‘'Denk aan jou / aan dat ik niets ben zonder.. ' 'Jou' zou je zelf al in willen vullen. Dan kan het gedicht nog gaan over een liefde die een tegenwicht is tegen de komende stormen van het najaar. Maar het is niet ‘jou’ maar ‘jouw beeld in mij’. Er is alleen nog maar herinnering die de geliefde in de dichter heeft nagelaten. Een kwetsbaar beeld waarvan hij bang is dat het ook nog eens zal breken.
Gaat het over een geliefde die is verloren aan de dood of aan het leven? Ik kies voor het laatste. Lees de laatste strofe maar. Er is sprake van ‘misverstanden, zonden van zelfmisleiding, te voorzien berouw’. Het ging niet meer. De geliefde bestaat nog, maar de dichter denkt ‘aan het vergeefse dat wij eens bestonden’. Wat mij betreft de mooiste, want meest schrijnende zin.
Is de liefde begonnen of geëindigd in oktober? Ik lees het eerste. ‘De avond dat wij elkaar vonden’ is gekoppeld aan ganzenvlucht en kou. Tegelijk een voorbode van wat voorbij zou gaan. Een indringend oktobergedicht. Iedereen die krassen opliep aan een verloren liefde, kan zich erin herkennen.