JEAN PIERRE RAWIE
October
In dit gebenedijde jaargetijde
is alles elk jaar weer als nooit voorheen;
wat nu begint en wat al lang verdween
valt niet meer van elkaar te onderscheiden.
Met allen die ik liefhad om mij heen
zie ik mij door voorbije lanen schrijden.
Ik voel de jaren omgekeerd verglijden
en schop de natte bladeren uiteen.
Ik kon als kind mijn ogen niet geloven,
zo was ik al voor elk geluk beducht,
maar wat het leven meenam in zijn vlucht,
dit mocht het mij nog altijd niet ontroven:
de bomen in october, en daarboven
de zwermen in de eindeloze lucht.
(Uit: Verzamelde verzen)
Jean Pierre Rawie is bij uitstek de dichter van de vergankelijkheid. Je zou zeggen: in een gedicht over de herfst zal hij wat dat betreft flink uitpakken - de herfst is immers het jaargetijde van de melancholie om alles wat verdwijnt. En toch overheerst in dit gedicht de verwondering om de schóónheid die de maand oktober blootlegt. Alleen al in de eerste regel spreekt hij van 'dit gebenedijde jaargetijde’. Waarin dat gezegende zit? Het gedicht geeft een dubbele boodschap: het is alsof alles voor het eerst gebeurt, maar tegelijk is ook het verleden opgenomen in dat nieuwe nu. Dat brengt wonderlijk genoeg ook meteen de melancholie in het gedicht. De dichter weet zich omringd door allen die hij liefhad. En let ook op de ‘voorbije lanen’, en: ‘Ik voel de jaren omgekeerd verglijden’. Maar de verwondering overheerst. In alles wat voorbijgaat, blijft er al sinds zijn kinderjaren deze constante: de verwondering over ‘de bomen in october en daarboven (let op de o’s) / de zwermen in de eindeloze lucht. Je wordt er mét de dichter een beetje gelukkig van. Laat maar komen die herfst!