JAN VAN NIJLEN
November
Hoe kort was deze dag! Slechts even klom
de zon boven het woud… de bomen ruiven
goudkleurig en hun dorre bladen stuiven
waar 't gele licht der chrysanthemen glom.
Hoe stil is 't nu in huis! De blauwe druiven
blinken fluweelzacht in kristallen kom.
De winter komt! Weldra weer zal rondom
het oude huis zijn barre sneeuwjacht stuiven.
Het avonduur brengt voor een stond bezieling
in de natuur, en 't geelgroen schemerlicht
hult in zijn laatste stralen de vernieling
des zomerlands wiens rijpe vruchten vielen.
Nu is het nacht. Men doet de luiken dicht,
de klokken luien, hoor! 't Is Allerzielen.
(Uit: Verzamelde gedichten)
De winter nadert. Het gedicht doet je voelen hoe mens en
natuur zich inkeren om het barre seizoen te weerstaan. Maar het brengt ook één
dag tot stilstand: 1 november, zo zal aan het eind blijken. De dag is kort. De
bomen ruien (‘ruiven’ in het Vlaams) en de wind blaast de bladeren naar waar
kort geleden de chrysanten bloeiden. In huis liggen de geoogste druiven in de
kom. De zomer is definitief voorbij en het landschap wordt kaal. De avondzon
zet alles nog een keer in een prachtig licht, maar het woord ’vernieling’
(‘vernieling des zomerlands’) maakt de toon ineens hard. Niet april is – zoals T.S.
Eliot schreef – de wreedste maand, hier is het november.
Het wordt nog eens onderstreept door de twee laatste regels. Het is donker. Het huis wordt gesloten. Dan klinken er kerkklokken. Die klinken meestal vreugdevol. Maar nu klinken ze om Allerzielen (2 november) aan te kondigen: de dag waarop de overledenen worden herdacht. In november heersen de weemoed en de vergankelijkheid.