Afgelopen vrijdag ging ik voor bij zo’n bijna stille uitvaart. Een klein zaaltje. Een minimaal aantal stoelen. Allemaal wijd uit elkaar geplaatst. Met de familie had ik afgesproken dat er niet gezongen zou worden (zoals doorgaans vaak wel het geval is). En dat was maar goed ook. Er waren er namelijk nog minder mensen dan verwacht.
Dertig mensen konden er in de aula. Maar er was nog niet de helft. Reden? Ouderen die uitgenodigd waren, hadden het niet aangedurfd. Of het was hen door kinderen of artsen ontraden om te gaan. Zelfs de anderhalve meter voelt voor sommigen nog te dichtbij in deze tijden van corona.
De meneer die we die middag begroeven, had een uitgebreid netwerk. In normale omstandigheden zou bij zijn uitvaart een kerkzaal voor een belangrijk deel gevuld zijn geweest. Maar er waren nu twee kaarten de deur uitgegaan. Eén voor speciaal genodigden. Eén voor de rest. Die rest misten we.
Ik keek in de gezichten die ik voor me had. Ik las in de ogen de vraag hoe dat moest: ritueel een verdriet delen - met die afstand tussen de stoelen, met zo weinigen? Ieder was een eilandje. De ontregeling was groot.