‘Goedemorgen!’ Ik begroette de winkelbediende van de wagentjes. ‘Zo!’ zei ze, ‘Wat een vriendelijkheid. Dat maken we niet zoveel mee.’ – ‘Wat zegt u?’ vroeg ik verbaasd. ‘Is er dan zoveel onvriendelijkheid?’ – ‘U wilt niet weten wat ik naar mijn hoofd krijg.’

Er ontspon zich een gesprek dat mij onaangenaam verraste. De
medewerker wilde de woorden die ze naar haar hoofd geslingerd krijgt niet
herhalen. Maar af en toe kwam de gedachte in haar op om haar taak op te geven. ‘Ik
sta hier toch ten dienste van diezelfde mensen?!’

De onvrede die zij over zich heen krijgt, heeft vooral te maken met de regels die nu gelden. Niet zonder winkelwagentje naar binnen. Dat zorgt automatisch voor de geboden afstand. En er mag maar een bepaald aantal mensen de winkel in. Maar dat stuit bij sommigen kennelijk op een regelallergie die wijdverbreider is dan ik dacht.

Vanmiddag hoorde ik van mijn vrouw dat in een textielwinkel iets dergelijks speelt. Ze had er even gesproken met iemand die min of meer hetzelfde verhaal vertelde. Raken wij ons geduld kwijt? Gaat het te lang duren? Of is dit het kleine groepje mensen dat niet willen deugen, de hufters zeg maar, die het altijd weer verpesten voor de grote groep die wel deugt?

‘Let een beetje op elkaar,’ zei Mark Rutte een paar weken geleden. Hoelang houden we het vol - die geroemde eendracht?