Daar stond ik dan, in de Dijkkerk van Papendrecht. Op een gewone dag. Maar wel in pak 1, want ja, dat zou ik op 4 mei ook gedaan hebben. Er had al een opnameploeg klaar gestaan. Twee camera’s en een geluidsman. Het was 14:30 uur. De zon viel prachtig door de ramen naar binnen, zag ik toen ik mocht beginnen.

Vooraf had ik instructies gekregen. Zelf ‘take 1’ zeggen en vervolgens in de handen klappen. Dan zouden beeld en geluid later op dat signaal exact gelijk gezet kunnen worden. Maar er kwam nog een ‘take 2’. Boven mijn hoofd stond namelijk tijdens de eerste take een felle lamp die weerspiegelde op mijn kale kruin. Die lamp moest uit.

Spreken bij Dodenherdenking op 15 april is als een Kerstavonddienst opnemen op de middag van 20 november: tijd en inhoud lopen niet synchroon. Je hart is nog helemaal niet op toonhoogte. En dan dit: ik mocht niet langer spreken dan drie minuten. Het toespraakje wordt immers onderdeel van breder mediagebeuren. Maar ik geef het je te doen.

Boven de camera hing een grote klok waarop in digitale, rode
cijfers dreigend de tijd werd aangegeven. Krampachtig probeerde ik niet naar de
klok maar in de camera te blijven kijken. Toen ik klaar was zag ik: 3:30. Het
hoefde niet over.