KEVIN HART
De kamer
Het is mijn huis, en toch is één kamer op slot.
Het duister heeft wortel geschoten in alle vier de muren.
Het is een kamer waar knoesten uit het hout staren,
Een kamer die het hele huis de rug toekeert.
’s Nachts hoor ik de krekels hun verdriet opsommen
En laat een oude vrede in mij neerdalen.
De slaap onderbreekt mijn gebed, en in het donker
Draait het huis langzaam rond om zijn ene gesloten kamer.
(vertaald uit: Wild Track, New and Selected Poems 2015)
Een mysterieus gedicht. We horen over een kamer die gesloten is. Door wie? Door de bewoner? Door iets of iemand die van binnen de deur op slot heeft gedaan?
Omdat de verteller spreekt over ‘mijn gebed’ moest ik denken aan de binnenkamer waar Jezus over spreekt (Mattheüs 6,6). Het is helaas weg vertaald in de Nieuwe Bijbelvertaling, maar Jezus spreekt er over ‘tameion’ – een vertrek in een oud-oosters huis waar geen ramen in zaten. Wij zouden spreken over een kelder(kast).
De verteller is niet in die kamer. Hij ligt in zijn bed. En toch draait het huis om die ene gesloten kamer. Een kamer die ‘het hele huis de rug toekeert’. Het gaat om een mysterieuze aanwezigheid die zich niet laat ontsluiten.
Het poëtisch werk van Kevin Hart kent veel mystieke gedichten. Daarin spreekt hij God vaak aan als ‘Dark One’. Daarom denk ik dat dit ook een mystiek gedicht is. Het draait om een God die zich niet laat zien, ‘pakken’ of benoemen. En toch zo dichtbij. In een (innerlijke?) 'tameion' waar de bidder niet kan komen.