Het gedicht begint in het dorpskerkje. ‘Komm Schöpfer Geist, bulder ik,' schrijft Auden. Hij stond bekend om zijn harde zingen. Auden bezocht wekelijks, samen met een handjevol anderen, de plaatselijke rooms-katholieke kerk. Ook met Pinksteren. Het moet iets kneuterigs gehad hebben. Iedereen kende iedereen. Auden noemt in het gedicht Herr Beer die de collecte doet. En Pfarrer Lustkandl is de voorganger. Auden hield van het lokale.

Tijdens de kerkdienst hoort hij over de nabijgelegen snelweg auto’s vanuit Wenen richting het platteland gaan. Het is een andere cultus dan die van de kerk. Maar de kerkklokken (we zijn dan in de tweede strofe) ‘roepen Oostenrijk op om te veranderen.’ Ze hebben een blijde boodschap: God als ‘de Grote Witte Christen van boven, is dood.’ Die was niet meer dan een projectie, zo leg ik het uit. In plaats daarvan vieren we de komst van de Geest. De Geest doet vreemden elkaar verstaan. Hij verafschuwt het jargon van golfers niet en ook de toonval van Audens eigen literaire kliek is hem niet vreemd.

Maar dan verandert de toon weer. De camera zoomt nog verder uit. De misbel klinkt ‘wanneer het Lichaam van de Tweede Adam aan een paar van zijn beulen wordt getoond’. Ook de kerkgangers horen bij de beulen van Christus. Auden moet op dat moment denken aan vijandschap. Negentig kilometer verderop begint het Oostblok, waar ‘op kerkgang wordt afgegeven als op bordeelbezoek’. De wereld is vol dreiging – het tegenbeeld van Pinksteren. ‘We shall bury you and dance at the wake,’ zeggen de Oostblokleiders.

Het gedicht eindigt met het slot van de kerkdienst. ‘Door het gotische schip / komt nu onze pastoor, hij zegent het Westen met water: / we kunnen gaan.’ Auden constateert vervolgens dat er geen goed Engels woord is voor Geist of Esprit. En op de rampen die dreigen in de wereld heeft hij ook geen antwoord. Wat hij wel weet: ‘…ben ik erbij wanneer de Genade danst, dan moet ik dansen.’ Het zijn woorden uit het apocriefe boek Handelingen van Johannes.

Ik zou dit jaar met Vera in de zomervakantie naar Oostenrijk zijn gegaan. Uiteraard stond ook een bezoek aan Kirchstetten op het programma. Auden ligt er begraven en zijn huis is te bezichtigen. Ik zou ook zeker even die dorpskerk hebben bezocht. Ik heb er naar uitgekeken, want Auden is een van mijn favoriete dichters. Maar het gaat niet door: corona. In plaats daarvan lees ik vandaag, Pinksteren 2020, nog maar eens dit gedicht. De dreiging van de Koude Oorlog heeft plaatsgemaakt voor andere donkere wolken. Maar met Pinksteren roepen kerkklokken de wereld nog steeds op om te veranderen. En Kirchstetten is overal.

(Wie het (niet eenvoudige) gedicht wil lezen, klik hier. De in het Nederlands geciteerd gedeelten zijn uit de vertaling van Huub Beurskens)