De schillenboer gaat door het dorp

en haalt de groenteresten op.

Het is zomer en zijn kar

rijdt afvalgeurig rond.

Ik ben geen stronkje en geen schil,
mag naast hem zitten op de bok.
[..]

De woorden maakten meteen beelden in mij los. Wie kent hem nog: de schillenboer? Of neem de lorrenboer. Ik zie hem nog aan komen lopen door het middenpad tussen de achtertuinen van de buurt waar ik als kind woonde. Om de paar passen riep hij (altijd met een scheve mond): ‘Lorren!’ Als iemand iets had, woog hij het af met een weeghaak.

Ze kwamen nog aan de deur: de kruidenier, de melkboer en de
bakker. Ook die laatste herinner ik me nog goed. Jonge vent nog. Hij had een
lichtbruine broodkar die hij fietsend voortbewoog. Pet scheef op zijn hoofd.
Altijd vrolijk.

Op een dag vroeg ik (ik zal een jaar of vijf, zes geweest
zijn): ‘Bakker, mag ik mee om u te helpen?’ Zijn antwoord verbaast me tot op de
dag van vandaag: ‘Nee, jongen, dat gaat niet, want ik moet vandaag nog helemaal
naar Jeruzalem!’

Waar hij dat antwoord zo één, twee, drie vandaan haalde, weet ik niet. Maar het hielp wel. Jeruzalem: dat was een eind weg! Ik kende die naam alleen uit de kinderbijbel van Anne de Vries. Nee, dat was inderdaad te ver. Stel je voor dat ik nooit meer terug zou kunnen!

‘Ze kwamen nog aan de deur,’ schreef ik zo-even. Maar er komen nog wel leveranciers aan de deur. De pakketbezorger. En je kunt je boodschappen door Albert Heyn of Jumbo laten brengen. Je doet je bestellingen online. Daardoor verschijnen er steeds meer blokkendozen in het landschap: distributiecentra.

De wereld verandert. Maar Jeruzalem is nog ver.