Maar dit keer popte er tijdens de ronde van Mijnsheerenland ineens een gevoel op dat ik alleen van lang geleden ken. Het zweefde even in en om mij heen maar spatte al snel uiteen. Alsof ik ervan schrok. Wat het gevoel was? Het was de milde sensatie: wat is het fijn om Piet van Die te zijn.
Wat ik zei: meteen spatte het weer uiteen. Een ander gevoel viel het meteen in de rede: wat een kapsones! En nu ik het opschrijf, schaam ik me opnieuw - voor u, lezer. Wat zult u niet van me denken?
Maar het zette me wel aan het denken. Want zo’n ervaring heb ik eigenlijk nooit. Kennelijk vind ik het doorgaans niet fijn om mij te zijn. Je bent onvervuld. Omdat je zoekt of verlangt naar een beter zelf. Of je vergelijkt je steeds met anderen. Je bent bang. Voor afwijzing. Of om te falen.
Misschien is het geen toeval dat ik die ervaring had tijdens het wandelen. Dan ben je niet bezig je te bewijzen. Je kunt alles even loslaten. Je hoeft alleen maar te lopen. En te genieten van het landschap.
Wat is het fijn om Piet van Die te zijn - dat rijmt. En dat dekt de lading: even rijmde ik met mezelf. Doorgaans is dat kennelijk niet het geval. Er klopt meestal iets niet met Piet. Hij is geen vent uit één stuk. Hij bestaat uit helften die niet samenvallen. Hij is gebarsten. ‘Voor vrijwel iedereen geldt dat leren leven met wie je werkelijk bent, een levenslange spirituele zoektocht is’ (Mary Karr).
Naar aanleiding van die mijmeringen gingen mijn gedachte naar Psalm 23. ‘De HEER geeft mij nieuwe kracht,’ vertaalt onze Bijbel. Maar Martin Buber vertaalde in zijn beroemde ‘Verdeutschung’ zo letterlijk mogelijk: ‘Die Seele mir bringt er zurück’ – ‘Hij brengt mij mijn ziel terug’.
Heel af en toe vallen de helften waaruit ik besta samen. Tijdens de ronde van Mijnsheerenland bijvoorbeeld. Waar de HEER kennelijk ook herdert.