Kort na oktober 2023 schreef ik er al over. Sindsdien heb ik gezwegen. Eerst uit groeiende verlegenheid en machteloosheid. Maar gaandeweg met stijgende verontrusting en verontwaardiging die me verlamde.
Het afstraffen van Hamas heeft geleid tot een beestachtig opjagen en afslachten van de Palestijnse bevolking. Ik ben ontsteld. Ontsteld over de regering van een land en een volk dat ik liefheb. Ontsteld over de opvatting van een groot deel van de Israëlische bevolking dat de Palestijnen weg moeten.
Deze week kopte dagblad Trouw met het bericht dat de minister van defensie van Israël daar al een begin mee wil maken. Binnen zestig dagen moeten 600.000 Gazanen worden opgesloten in een kamp. Om hen vervolgens te verdrijven. En als ik dan Netanyahu hoor slijmen bij Trump dat hij hem heeft voorgedragen voor de Nobelprijs van de vrede, ben ik er zo langzamerhand van overtuigd dat dit land over de rand van een moreel faillissement gaat.
Eerder schreef ik dat ik het moeilijk vond om een standpunt in te nemen. De zaken waren voor mij zo complex dat een eenduidig standpunt voor mij niet mogelijk was. Maar inmiddels liggen de kaarten anders. De niets ontziende afstraffing die Israël is begonnen, krijgt steeds meer de trekken van een etnische zuivering. Dat kan niet. Dat mag niet. Het is godgeklaagd.
De houding die mijn kerk - de PKN - inneemt, lijkt op mijn eerdere standpunt: het begrijpen en vasthouden van beide zijden. Maar ik zie nu in dat het te bang, te gemakzuchtig en ook te zouteloos is. Daarom heb ik de brief ondertekend waarin predikanten zich uitspreken tegen de genocide van Gazanen.
Ik begrijp voor een deel de leiding van mijn kerk: er zijn ook binnen de kerk notoire voorstanders van het beleid van de Israëlische regering. Ik noem ze zo langzamerhand ‘Christenen voor Netanyahu’. Steeds meer klinkt in mijn hoofd de titel van een boek van Okke Jager uit de jaren tachtig: ‘Hier scheiden onze wegen’.


